Vrije ruimte WKR naar 1,7% in 2020

Op dit moment mogen werkgevers tot 1,2 procent van het totale fiscale loon (de loonsom van alle werknemers samen) onbelast vergoeden of verstrekken: de vrije ruimte. Vooral mkb-ondernemingen met lage lonen en/of veel parttimers vinden de huidige beperking van de vrije ruimte een knelpunt.

Er komt een tweeschijvenstelsel in de berekening van de vrije ruimte. De vrije ruimte wordt berekend als 1,7 procent van de loonsom tot 400.000 euro plus 1,2 procent van de resterende loonsom. Vooral midden-en kleinbedrijven (mkb) hebben hier voordeel van.

Dit betekent bij een loonsom van 400.000 euro dat werkgevers in de nieuwe situatie 6.800 euro onbelast beschikbaar kunnen stellen in plaats van 4.800 euro nu. Voor het bedrag boven 400.000 euro blijft het percentage van 1,2 procent gelden.

Vrijstelling VOG
Naast de verhoging van de vrije ruimte wordt ook de vergoeding die de werkgever aan de werknemer geeft voor het aanvragen van een verklaring omtrent gedrag (VOG) toegevoegd aan de lijst van vrijstellingen.

Deponeer uw jaarrekening op tijd

Wat is de uiterste termijn?
Deponeer je jaarrekening uiterlijk 8 dagen na vaststelling bij KVK. Wanneer deze niet op tijd is vastgesteld, deponeer je de voorlopige jaarrekening.
De uiterste termijn voor vaststelling verschilt per rechtspersoon, maar de jaarrekening moet in ieder geval binnen 12 maanden na afloop van het boekjaar gedeponeerd zijn. Op deze pagina vind je de belangrijkste punten op een rij.


Deponeertermijnen
De specifieke termijnen voor deponeren zijn afhankelijk van de soort rechtspersoon. Voor de bv – als de meest voorkomende rechtspersoon – gelden de volgende regels:
• Binnen 5 maanden na afloop van het boekjaar maakt het bestuur de jaarrekening op en legt deze voor aan de aandeelhouders.
• De aandeelhouders verlenen het bestuur maximaal 5 maanden uitstel in geval van bijzondere omstandigheden.
• De aandeelhouders hebben vervolgens 2 maanden de tijd voor het vaststellen van de jaarrekening.
• Is het boekjaar gelijk aan het kalenderjaar, dan is de uiterste deponeerdatum dus 31 juli (5 + 2 maanden). Bij maximaal uitstel is dit 31 december (5 + 5 + 2 maanden).

Uitzondering
Als alle aandeelhouders ook bestuurder of commissaris zijn, leidt ondertekening van de jaarrekening meteen tot vaststelling. In dit geval vervallen de 2 maanden tijd voor vaststelling. Voor een bv betekent dit dat je deponeert binnen 10 maanden en 8 dagen na afloop van het boekjaar. Is het boekjaar gelijk aan het kalenderjaar, dan is de uiterste deponeerdatum dus 8 november (10 maanden + 8 dagen).

Niet tijdig vastgesteld
Hebben de aandeelhouders de jaarrekening niet op tijd vastgesteld? Dan deponeer je de voorlopige jaarrekening. Voor een bv deponeer je deze binnen 7 maanden na einde van het boekjaar. Heb je een maximale uitstel van 5 maanden, dan deponeer je de voorlopige jaarrekening dus binnen 12 maanden (7 + 5 maanden) na het einde van het boekjaar.
Deponeer op tijd
Het niet (op tijd) deponeren is strafbaar als economisch delict. Het Bureau Economische Handhaving van de Belastingdienst kan een proces-verbaal opmaken op basis waarvan het Openbaar Ministerie een geldboete kan opleggen of de zaak aanhangig kan maken bij de rechter.
Bovendien kun je persoonlijk aansprakelijk gesteld worden als je niet (op tijd) deponeert en je onderneming gaat failliet. Zorg er dus voor dat je binnen de termijn deponeert. De deponeringsplicht geldt tot de datum van opheffing.
Het is wettelijk niet mogelijk om uitstel te verkrijgen voor het deponeren van de jaarrekening.

Advies nodig?
Twijfel je over de regels die voor je bedrijf of rechtspersoon van toepassing zijn? Neem dan contact op met een vakinhoudelijk specialist zoals een accountant, administrateur of belastingconsulent. Deze kan je meer vertellen over de specifieke termijnen en voorwaarden in je situatie.
Zie ook
wel of niet deponeren?

meer info

WAB: werkgever moet oproepkracht vaste arbeidsomvang geven

Als de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) per 1 januari 2020 ingaat, moeten werkgevers binnen een maand een aanbod doen voor een vaste arbeidsomvang aan een oproepkracht die langer dan 12 maanden een oproepcontract heeft. Werkgevers moeten daar in 2019 dus al over nadenken. 

Het voorstel voor de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) – die onlangs naar de Tweede Kamer is gestuurd – bevat een aantal belangrijke wijzigingen voor oproepkrachten:

Een werkgever moet een oproepkracht straks uiterlijk vier dagen van tevoren schriftelijk of elektronisch laten weten wanneer hij moet werken. Trekt de werkgever de oproep binnen vier dagen voor aanvang van de werkzaamheden in of wijzigt hij de tijdstippen voor de oproep, dan heeft de werknemer toch recht op loonbetaling over de periode waarvoor hij in eerste instantie was opgeroepen. In de cao kan een kortere termijn dan vier dagen worden afgesproken, maar de termijn mag nooit korter dan 24 uur zijn. Het recht op loon bij een afzegging van de oproep kan niet worden uitgesloten in de cao.

Een werkgever moet straks jaarlijks in de 13e maand een aanbod doen aan een oproepkracht voor een vaste arbeidsomvang (vast aantal uren). Deze arbeidsomvang moet de werkgever baseren op de gemiddelde arbeidsomvang in de voorgaande 12 maanden. Doet hij dit aanbod niet, dan heeft de oproepkracht alsnog recht op loon over die gemiddelde arbeidsomvang.

Een werknemer met een nulurencontract mag straks een opzegtermijn van vier dagen aanhouden (tenzij in de cao een kortere termijn is afgesproken).

Als de Tweede en Eerste Kamer instemmen met de WAB, treedt de wet per 1 januari 2020 in werking. Er geldt een overgangsbepaling voor werknemers die op dat moment al langer dan 12 maanden op basis van een oproepcontract werken. Zij moeten binnen een maand na de inwerkingtreding van de WAB (tools) een aanbod krijgen voor een vaste arbeidsomvang.

Werkgever moet in 2019 al nadenken over inzet oproepkrachten Dit betekent dat werkgevers zich in 2019 al bewust moeten zijn van hoe vaak zij een oproepkracht willen inzetten en of zij dat in 2020 zo willen voortzetten. Overigens is een werkgever straks niet verplicht om een oproepkracht ook een contractverlenging of een vast contract te geven. Het gaat alleen om het aanbieden van een vaste arbeidsomvang. Een werkgever kan er dus ook voor kiezen om het contract met een tijdelijke oproepkracht te beëindigen.

Veranderingen in voorlopige aanslag vennootschapsbelasting

Vanaf 1 januari 2019 is het aanslagbiljet voor de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting gewijzigd.
De rubrieken ‘Aftrek elders belast’, ‘Verrekende deelnemingsverrekening’ en ‘Verrekende belasting buitenlandse ondernemingswinst’ vervallen. In plaats daarvan komt 1 nieuwe rubriek: ‘Totaal belastingverminderingen’.
De wijziging betreft alleen voorlopige aanslagen over het boekjaar 2019 en later.

Gemeentebelastingen tot honderden euro’s hoger in 2019

De gemeentelijke woonlasten, rioolheffing en afvalstoffenheffing en onroerendezaakbelasting zullen dit jaar ‘zeer fors’ stijgen. Dat blijkt donderdag uit het jaarlijkse onderzoek van het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO).
Het rijk verhoogt dit jaar de afvalstoffenbelasting met 139 procent. De lasten stijgen voor huurders het sterkst in Haarlem (18 procent, oftewel 59 euro) en dalen het sterkst in Assen (4,4 procent, 17 euro). De gemeentelijke woonlasten voor woningbezitters met een meerpersoonshuishouden stijgen gemiddeld met 29 euro (4,3 procent) tot 702 euro per jaar. Voor woningeigenaren in Den Haag zijn de lasten het laagst, 563 euro. In Enschede zijn ze het hoogst: 856 euro.

Afvalstoffenbelasting extra gestegen
Afvalverwerkers betalen afvalstoffenbelasting voor het vuilnis dat wordt verbrand of gestort en rekenen dat door aan gemeenten. Gemeenten maken hierdoor 3,5 tot 4,0 procent meer kosten.
Het is te verwachten dat de gemeentelijke belastingen jaarlijks omhoog gaan in verband met inflatie, maar de stijging van de afvalstoffenheffing valt op. Dat komt doordat gemeenten bezig zijn met verduurzaming.

Nog te weinig huishouden doen aan recyclen
Huishoudens moeten meer gaan recyclen en dat kost tijd. Gemeenten moeten huishoudens zover krijgen meer afval te scheiden zodat er meer wordt gerecycled en minder verbrand. Dat kost tijd en zolang moeten gemeenten de extra kosten dekken. Dit doen zij onder meer door de afvalstoffenheffing te verhogen

Mag fiscus informatie flitspalen zelf verzamelen en gebruiken?

De Belastingdienst krijgt zelden het deksel op de neus als het tot een rechtszaak komt. Dat gebeurde vorig jaar wel toen een leaserijdster bezwaar maakte tegen een naheffing die de Belastingdienst haar had opgelegd op grond van de kentekenregistratie van flitscamera’s langs de snelweg.

De Belastingdienst had – en dit was niet algemeen bekend – toegang tot die gegevens om het privégebruik van ‘auto’s van de zaak’ te controleren. Door middel van flitspaalgegevens kon de dienst nagaan of de rittenadministratie die leaserijders overleggen klopt, dus of de auto zich op een bepaald tijdstip inderdaad bevond waar hij zich volgens de rittenadministratie had moeten bevinden.

Controle leaserijders
Leaserijders met een eigen bedrijf die minder dan 500 kilometer per jaar privé rijden in hun bedrijfsauto, mogen de autokosten aftrekken van hun winstbelasting. Het is voor de Belastingdienst moeilijk te controleren of die kilometeropgave correct is, vandaar dat de flitspaalinformatie handig van pas kwam.

Convenant fiscus en politie
De Belastingdienst sloot een convenant met de politie, waardoor de fiscus zelf direct toegang kreeg tot de kentekenregistratie van de snelwegcamera’s. De fiscus registreerde alle kentekens die de snelwegcamera’s vastlegden, legde die gegevens naast zijn lijst met zakelijke leaserijders en kwam in actie als er een ‘match’ was.

Hard oordeel Hoge Raad
Dat mag dus niet, oordeelde de Hoge Raad vorig jaar in de zaak van de vrouwelijke leaserijder. In de wet is nergens geregeld dat de fiscus op grote schaal zelf kentekengegevens mag verzamelen ten behoeve van de belastingcontrole. De Belastingdienst heeft deze gegevensverzameling na dit arrest gestaakt, maar maakt nog wel gebruik van flitspaalinformatie ten behoeve van de motorrijtuigenbelasting. Dit om te controleren of er inderdaad niet meer gereden wordt in auto’s waarvan het kenteken geschorst is. Vermoedelijk mag dit wel omdat de dienst deze informatie van de politie betrekt en niet langer zelf verzamelt.

De BTW bestaat 50 jaar!

Reden voor een feestje, of is de btw een blok aan ons been? De inmiddels 97-jarige Johan Witteveen voerde als toenmalig VVD-minister van Financiën de btw in 1969 in. Het centrumrechtse kabinet-De Jong kwam toen met een nieuwe belasting: belasting over de toegevoegde waarde, de btw dus

“Een prachtige belasting, heel noodzakelijk en belangrijk”, zegt Witteveen in gesprek met de NOS. Er waren destijds twee tarieven: een van 4 procent voor de eerste levensbehoeften en een van 12 procent voor de andere goederen.

Vroeger heel ander systeem
Voordat de btw er was, ging het er heel anders aan toe. Toen kende Nederland een zogenoemd cumulatief cascadestelsel, waarbij ondernemers eigenlijk belasting over belasting betaalden. Witteveen legt uit dat dat systeem tot ongelijkheid tussen ondernemers leidde, zeker als de belasting voor ondernemers in de toekomst zou gaan stijgen. “De oude omzetbelasting zou de structuur van het bedrijfsleven hebben scheefgetrokken”, zegt Witteveen. Bedrijven die de productie in eigen beheer hadden, waren in het cascadestelsel voor hun omzetbelasting namelijk voordeliger uit dan bedrijven die materiaal voor hun eindproduct moesten aankopen.

Oneerlijke voorbeelden
Een fietsenverkoper bijvoorbeeld die veel onderdelen aankocht, betaalde over ieder onderdeel belasting. En over de verkoop van de fiets moest hij omzetbelasting afdragen. Terwijl een concurrent die alle onderdelen zelf maakte en monteerde alleen belasting hoefde af te dragen over de fiets.

EEG-afspraken zorgde voor basis btw-stelsel
Bovendien was een nieuw systeem volgens Witteveen om nog een andere reden nodig. “Je kunt geen gemeenschappelijke markt hebben als je niet een belasting hebt die daar op inspeelt”, zegt Witteveen. De toenmalige EEG-landen spraken af om voor 1 januari 1970 over te gaan op een ander, “eerlijker” belastingstelsel. Dat werd dus het btw-stelsel dat we nog steeds kennen. Onder dit systeem betalen ondernemers alleen belasting over de zogenoemde “toegevoegde waarde”. Die wordt betaald door de consument, maar de ondernemer draagt het geld af aan de fiscus.

EEG-afspraken zorgde voor basis btw-stelsel
Bovendien was een nieuw systeem volgens Witteveen om nog een andere reden nodig. “Je kunt geen gemeenschappelijke markt hebben als je niet een belasting hebt die daar op inspeelt”, zegt Witteveen. De toenmalige EEG-landen spraken af om voor 1 januari 1970 over te gaan op een ander, “eerlijker” belastingstelsel. Dat werd dus het btw-stelsel dat we nog steeds kennen. Onder dit systeem betalen ondernemers alleen belasting over de zogenoemde “toegevoegde waarde”. Die wordt betaald door de consument, maar de ondernemer draagt het geld af aan de fiscus.

Afgelopen 50 jaar enorme stijging BTW
In 50 jaar tijd steeg de opbrengst van de btw volgens het CBS van 2,6 miljard euro tot ongeveer 53 miljard euro per jaar, een vertwintigvoudiging. Na de loon- en inkomstenheffing is de btw de belangrijkste inkomstenbron voor de overheid. Hoewel het btw-systeem fundamenteel niet is veranderd, zijn de tarieven door de jaren steeds hoger geworden. De btw-tarieven zijn sinds 1 januari 2019, door de verhoging van het lage tarief, hoger dan ooit.

Oud politicus Witteveen verdedigt verhoging
Oud VVD-politicus Witteveen vindt een verhoging niet per se verkeerd. “In de situatie dat de uitgaven erg hoog zijn is het nodig de inkomsten op te voeren. Dat kan zowel op de consumptie drukkend of op het inkomen drukkend.” Een hogere belasting op consumptie is volgens Witteveen beter, “want dat ontmoedigt het werken, de inspanning en de vindingrijkheid niet”.

Papieren aandeelhoudersregister is vaak niet op orde

De aandeelhoudersregistratie van bedrijven is vaak niet actueel, onvolledig, onjuist of zelfs kwijt. Dit blijkt uit een peiling van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB). Van de 708 deelnemende (kandidaat-)notarissen geeft 34 procent aan dat dit ‘regelmatig’ het geval is. Nog eens 35 procent zegt ‘vaak’ en 16 procent zelfs ‘heel vaak’. CAHR? De Tweede Kamer is begonnen aan de behandeling van het initiatiefwetsvoorstel voor een centraal aandeelhouders¬register (CAHR). Het CAHR geeft inzicht in wie schuil gaan achter bv’s en niet-beursgenoteerde nv’s en levert hierdoor een waardevolle bijdrage aan voorkoming en bestrijding van financieel-economische criminaliteit door middel van rechtspersonen. Het CAHR dient mede de rechtszekerheid, omdat er – zoals uit de peiling blijkt – geregeld iets mis is met de aandeelhoudersregistratie van vennootschappen. Het CAHR heeft een belangrijke toegevoegde waarde ten opzichte van het UBO-register. Dit register wordt gedeeltelijk openbaar. Veel bedrijven – met name familiebedrijven – maken zich zorgen over deze openbaarheid. Lobby Voor de lobby heeft de KNB de leden een paar vragen gesteld. Hoe vaak herstructureren cliënten – met het UBO-register in zicht – hun bedrijf om registratie in dat register te voorkomen? En hoe vaak is er iets mis met het huidige aandeelhoudersregister, het zogenoemde klappertje? 22 procent van de beroepsgroep nam deel aan de peiling. 62 procent van de ondervraagden maakt ‘soms’ tot ‘heel vaak’ mee dat cliënten herstructurering overwegen, in gang zetten of hierover advies vragen om registratie in het UBO-register te voorkomen. De KNB denkt dat dit toeneemt als het UBO-register wordt ingevoerd en zal daarom in een later stadium opnieuw peilen. Besluit uitfasering pensioen in eigen beheer directeur-grootaandeelhouders: verlenging termijn insturen informatieformulier Bij afkoop of omzetting van pensioenrechten hebben directeur-grootaandeelhouders voortaan een jaar de tijd om het informatieformulier in te sturen. Dit staat in het besluit dat op 31 oktober 2018 is gepubliceerd in de Staatscourant. Het besluit maakt het ook mogelijk om (ex-)partners het informatieformulier alsnog te laten ondertekenen. De belastingdienst verlengt de termijn voor het insturen van het ‘informatieformulier Afkoop of omzetting van pensioen in eigen beheer’ tot een jaar. Directeur-grootaandeelhouders die vóór 13 december 2017 hun pensioenvoorziening in eigen beheer hebben afgekocht of omgezet, kunnen het informatieformulier ook nog insturen. Het moet dan uiterlijk op 12 december 2018 binnen zijn. Ondertekening door (ex-)partner Als het informatieformulier ten onrechte niet door de (ex-)partner is ondertekend, dan ontvangt u een verzoek van ons. In dit verzoek stelt de inspecteur de (ex-)partner alsnog in de gelegenheid dit formulier te ondertekenen. De inspecteur stelt hiervoor een termijn van tenminste 6 weken. Einde aan onzekerheid Tot en met 2019 geldt een regeling waarbij directeur-grootaandeelhouders de mogelijkheid hebben om hun pensioenvoorziening in eigen beheer met een fiscale korting af te kopen. Veel informatieformulieren kwamen te laat of zonder handtekening van de (ex-)partner binnen. Het besluit maakt een einde aan de onzekerheid bij directeur-grootaandeelhouders of ze dan nog wel recht hebben op deze regeling. Is het informatieformulier – juist en volledig ingevuld – binnen de verlengde termijn aangeleverd, dan komt de afkoop of omzetting van het pensioen in eigen beheer (toch) in aanmerking voor de fiscale korting. Voorwaarde is wel dat de aangifte loonheffingen op tijd en volledig is ingediend en dat de loonheffingen op het afkoopbedrag zijn betaald. Een crediteur die een schuldregeling weigert kan worden veroordeeld in de kosten van een proces Het bekende uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat 100 % van zijn vordering, met rente en incassokosten, wordt voldaan. Als een schikkingsaanbod voorziet in een aanzienlijk lagere uitdeling op een uitstaande vordering dan zal de crediteur weigeren. Maar ons recht kent het zogenaamde dwangakkoord (in artikel 287a van de Faillissementswet) als het gaat om een debiteur die in een problematische schuldensituatie verkeert. Een ondernemer kan zelf in zo’n crediteurenpositie zitten, maar natuurlijk omgekeerd ook zelf zo’n debiteur zijn. De vraag die de rechter zich dan stelt is: Worden door de weigering de belangen van de overige schuldeisers en van verzoeker geschaad ? En zo ja, hebben die belangen dan voorrang boven de belangen van de crediteur? Recente zaak In een recente zaak overwoog de Rechtbank te Utrecht dat het schikkingsaanbod aan de schuldeisers het maximum haalbare was in deze omstandigheden. En dat de crediteur alleen maar minder zou kunnen krijgen, als het aan zou komen op een wettelijke schuldsaneringsprocedure van drie jaar lang. Dit is een zeer belangrijk gegeven in de dwangakkoord-afweging. Belangenafweging Volgens de crediteur (een verhuurder) zou de debiteur – zodra hij tot de arbeidsmarkt is toegetreden – aan zijn schuldeisers een hoger aanbod kunnen doen. De rechtbank was echter van oordeel dat dit niet erg aannemelijk was: het vinden van betaald werk op grond van het problematische verleden van de debiteur, zijn situatie en zijn leeftijd was onwaarschijnlijk (hij was bijna 66 jaar). Redelijkerwijs was dus niet te verwachten dat hij voor zijn schuldeisers echt meer zou kunnen sparen. Er waren ook geen vermogensbestanddelen meer aanwezig die iets zouden kunnen opleveren. De crediteur kon daarom in redelijkheid worden verplicht om aan het akkoord mee te werken, en de rechtbank wees het verzoek dwangakkoord toe. Leeftijd kan meespelen in proceskostenveroordeling Ook was verzocht om de crediteur te veroordelen in de kosten van de procedure. Lid 6 van artikel 287a Faillissementswet geeft daar een wettelijke grondslag voor. In de omstandigheden van dit geval waar evident is dat verzoeker binnenkort de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en waarin de verhuurder niet heeft gemotiveerd waarom de debiteur nog zou beschikken over vermogen, is de rechtbank van oordeel dat voor de verliezende partij een veroordeling in de proceskosten moet worden uitgesproken. De rechtbank beschouwt de wettelijk verplichte begeleiding in de minnelijke schuldhulpverlening als een soort rechtsbijstand en knoopt dus aan bij het tarief van de verplichte procesvertegenwoordiging, in dit geval ruim € 600,-. Deze uitleg vormt een extra prikkel voor crediteuren om in ieder geval op gemotiveerde wijze een schikking te weigeren en om hun knopen goed te tellen alvorens het op een behandeling van een verzoekschrift dwangakkoord aan te laten komen. In welke privégegevens mag de Belastingdienst allemaal kijken? De Belastingdienst vraagt via een kort geding om inzage in het gebruik van een Museumkaart. De kans op een overwinning voor de fiscus is groot. Belastinginspecteurs mogen vrijwel onbeperkt rondneuzen in het privéleven van de burger, mits zij dat doen in het kader van de belastingcontrole. Dat wettelijk recht informatie op te vragen gaat verder dan alleen bank- en inkomensgegevens. De Belastingdienst kan ook navragen waar en wanneer iemand heeft geparkeerd, wanneer hij met de trein heeft gereisd en welke tentoonstellingen een houder van een museumkaart heeft bezocht. Inzage museumbezoek? De Belastingdienst wil inzage in het museumbezoek van een kaarthouder die op zijn belastingaangifte heeft ingevuld dat hij of zij in 2014 in het buitenland woonde. De fiscus vermoedt waarschijnlijk dat de kaarthouder wel in Nederland verbleef en hoopt dat te kunnen aantonen via diens bezoek aan Nederlandse musea. De stichting die de Museumkaart uitgeeft weigert echter aan het informatieverzoek van de fiscus te voldoen omdat dit de privacy van de kaarthouder zou aantasten. Hierover dient een kort geding bij de rechtbank van Amsterdam over dit geschil, aangespannen door de Belastingdienst. Fiscus staat sterk De kans dat de rechter in het voordeel van de Belastingdienst beslist is groot. De wet geeft de fiscus ruime bevoegdheden om informatie op te vragen. Dat moet ook wel, anders kan de dienst zijn werk niet goed doen. De fiscus moet immers kunnen controleren of de ingevulde belastingaangifte waarheidsgetrouw is. Daarvoor moeten belastingambtenaren ook gegevens bij derden kunnen opvragen. Om te bepalen of iemand in aanmerking komt voor huurtoeslag moet de belastingdienst kunnen nagaan welk inkomen die persoon geniet en hoeveel huur hij betaalt, of hij samenwoont en zo ja: welk inkomen die partner dan heeft. Bedrijven moeten verplicht meewerken Alle bedrijven en instellingen die over fiscaal relevante gegevens van belastingplichtigen beschikken, zijn verplicht die gegevens zeven jaar te bewaren. Ook burgers die bepaalde kosten van de belasting aftrekken, moeten vijf jaar later nog kunnen aantonen dat die aftrekpost gerechtvaardigd was. Zij zijn er zelf verantwoordelijk voor dat zij de bewijsstukken al die tijd bewaren. In 2013 kregen sommige Nederlanders daarmee te maken toen de Belastingdienst hun vroeg bewijs te overleggen van in 2011 gemaakte treinreiskosten. De Nederlandse Spoorwegen bleken de ov-chipkaartgegevens maar anderhalf jaar lang te bewaren, waardoor de belastingplichtigen die hun ov-chipkaartgegevens niet hadden opgeslagen en bewaard een naheffing opgelegd kregen.

Aandachtspunten voor de jaarafsluiting van 2018

Bij de start van het nieuwe jaar houden ondernemingen zich weer bezig met de jaarafsluiting van het boekjaar 2018. Het jaar afsluiten is een omvangrijk project dat ieder jaar weer de nodige tijd en energie kost. Pas als het boekjaar helemaal compleet is, kan het jaar daadwerkelijk afgesloten worden. Het proces van een jaarafsluiting kan de dagelijkse werkzaamheden behoorlijk in de weg zitten. Het is dus belangrijk om een planning  op te stellen en te zorgen voor duidelijke interne communicatie rond de jaarafsluiting. Andere aandachtspunten voor de jaarafsluiting van 2018 zijn:

Controleer of alle verkoopfacturen van het boekjaar ook echt de factuurdatum van dat jaar hebben. Facturen die verstuurd zijn, maar nog niet betaald, horen bij de omzet van het afgelopen boekjaar.

Controleer of alle inkoopfacturen verwerkt zijn, ook hiervoor telt de factuurdatum en niet de betaaldatum.

Een bijgewerkte voorraadlijst  is van belang om de financiële waarde van de voorraad vast te stellen.

Check de bank- en kassaldi en zorg dat de boekhouding sluitend is.

Bekijk altijd de controle van de laatste jaarrekening  en de correcties die het vorige boekjaar nodig waren.

Houd rekening met aftrekposten waar uw onderneming voor in aanmerking komt.

Vergeet de BTW-suppletie niet

Vergeet bij de bovenstaande werkzaamheden de bewaartermijnen voor de administratie niet! Een ander aandachtspunt is de uiteindelijke BTW-berekening. Deze calculatie vindt pas plaats op het moment dat de jaarrekening wordt opgemaakt. Als tijdens deze opmaak blijkt dat er te veel of te weinig BTW is afgedragen dan moet dit met een suppletieaangifte gecorrigeerd worden. Dit moeten ondernemers doen met het formulier ‘Suppletie omzetbelasting’ van de Belastingdienst. Daarnaast is het belangrijk om goede afspraken te maken over de aanlevering van documenten bij de accountant om in aanmerking te komen voor een goedkeurende accountantsverklaring

Kopie identiteitsbewijs niet in strijd met AVG

Alle gegevens van een identiteitsbewijs moeten goed zichtbaar zijn op de kopie die een werknemer moet overleggen als hij in dienst komt. Dit is niet in strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).Als gevolg van de AVG geven sommige werknemers de werkgever een kopie identiteitsbewijs waarop de foto en/of het burgerservicenummer onleesbaar is gemaakt. In deze situatie identificeert de werknemer zich niet op de juiste wijze. De werkgever moet dan het anoniementarief toepassen.

Identificatieplicht en AVGDe identificatieplicht van de werknemer is niet in strijd met de AVG. In artikel 6 lid 1 letter c van de AVG staat dat verwerking van persoonsgegevens rechtmatig is, als de verwerking noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust. Wettelijke verplichting werkgeverVolgens artikel 28 lid 1 letter f Wet LB is de werkgever verplicht om de identiteit van de werknemer vast te stellen en een kopie van het identiteitsbewijs op te nemen in de administratie. Wettelijke verplichting werknemerIn artikel 29 Wet LB staat dat de werknemer zich moet identificeren met een geldig identiteitsbewijs. Hij moet de werkgever toestaan een kopie hiervan in de administratie te bewaren. Als de werknemer de foto en burgerservicenummer onleesbaar maakt, voldoet hij niet aan deze verplichting. Toepassing anoniementariefDe werkgever moet het anoniementarief toepassen als hij de identiteit van de werknemer niet op de juiste wijze kan vaststellen. Hij houdt 52% loonheffing in op het loon. Ook houdt hij geen rekening met:de loonheffingskortinghet maximumpremieloon werknemersverzekeringenmaximumbijdrageloon zorgverzekeringswetMeer informatie over de AVG Belastingdienst.nlAutoriteitpersoonsgegevens.nlRijksoverheid.nlMeer over het anoniementarief leest u in de handreiking ‘Toepassing anoniementarief’. Wetsartikelenartikel 29 Wet LB en artikel 7.9 URLBartikel 28, lid 1, letter f van de Wet LB en artikel 7.5 URLBartikel 26b Wet LBartikel 6 lid 2 Wet financiering sociale verzekeringenartikel 42 lid 6 Zorgverzekeringswetartikel 6, lid 1, letter c van de AVGartikel 1 lid 1 1e tot en met 3e Wet op de identificatieplicht