Overlijdensverzekering bij erflater
Soms zijn er nog leuke dingen te verzinnen. Erg amusant hoe inspecteurs zich in allerlei bochten wringen om een substantieel voordeel voor een belastingplichtige toch onder de belastingheffing te brengen. En nog leuker hoe die pogingen dan afgestraft worden.
Een vrouw sloot een overlijdensrisicoverzekering op het leven van haar man. Als verzekeraar trad op: haar man. Het verzekerde bedrag was fors: €900.000. Dit bedrag zou worden uitgekeerd als de man binnen 10 jaar zou overlijden. De vrouw betaalde hiervoor aan haar man een premie, maar omdat zij zelf geen geld had, schonk haar man haar ieder jaar dit bedrag. U raadt het al, de man overleed binnen deze 10 jaar en zijn nalatenschap moest €900.000 uitkeren aan de vrouw.
Een verzekeringsuitkering, aldus de wet, behoort fictief tot de nalatenschap van de erflater tenzij er ‘niets aan het vermogen van de erflater is onttrokken’. Deze bepaling is de basis van het kruiselings verzekeren bij een spaar- of levenhypotheek. Als de premie verschuldigd is door een ander dan de erflater en er is niets onttrokken aan zijn vermogen (dat kan bijvoorbeeld toch het geval zijn doordat hij in gemeenschap van goederen was getrouwd), dan valt de uitkering niet onder het successierecht.
Deze bepaling is hier regelrecht van toepassing: er was immers niets onttrokken aan het vermogen van de erflater, want de vrouw was de premies verschuldigd. Tegen beter weten in voerde de inspecteur aan dat er wel degelijk wat aan het vermogen van de erflater was onttrokken omdat hij de premies aan zijn vrouw had geschonken. De Hoge Raad besliste in het verleden echter al diverse malen dat het schenken van de premies niet betekent dat er iets aan het vermogen van de erflater is onttrokken (premieschenkingsarresten).
De inspecteur voerde ook nog wetsontduiking aan om toch maar successierecht te kunnen heffen, maar dat mislukte. Als de vrouw een dergelijke verzekering bij een verzekeringsmaatschappij had gesloten, had zij evenveel premie moeten betalen en was de uitkering ook niet belast geweest. En bovendien was dit een echte verzekering, want de man was pas 47 jaar oud toen de verzekering werd gesloten, waarmee de kans op overlijden binnen 10 jaar bijzonder klein was. Het was waarschijnlijker geweest dat de premies waren betaald zonder dat er ooit een uitkering zou volgen. En dan was de erfenis juist groter geworden.
Hoge Raad 11 juli 2008, nr. 43.547
|