Heffings- of invorderingsrente
Wie een aanslag krijgt opgelegd, moet daarover heffingsrente betalen. Deze heffingsrente begint (voor aanslagen over de jaren tot en met 2009) te lopen op 1 juli van het jaar waarop hij betrekking heeft. Wordt een aanslag opgelegd vóór 1 juli, dan is er geen heffingsrente verschuldigd. We hebben het hier dan over de voorlopige aanslag die normaal gesproken wordt opgelegd over het jaar zelf, en die in (meestal) 11 termijnen mag worden betaald. Bij een aanslag met een latere datum, is wel heffingsrente verschuldigd.
Als achteraf, na het indienen van de aangifte, blijkt dat deze voorlopige aanslag te hoog was, moet de inspecteur hem verminderen. Daarvoor staan hem twee methodes ter beschikking.
1 Hij kan de oorspronkelijke aanslag vernietigen of verminderen. Maar omdat op deze oorspronkelijke aanslag geen heffingsrente was verschuldigd, volgt uit deze vermindering ook geen vergoeding van heffingsrente.
2 Hij kan ook een negatieve nadere voorlopige aanslag opleggen en dan wordt er heffingsrente berekend vanaf 1 juli van het belastingjaar. Het maakt voor belastingplichtige dus een behoorlijk verschil uit welke methode wordt gebruikt.
Voor beeld
U krijgt in januari 2009 een voorlopige aanslag zonder heffingsrente, stel van €10.000. U betaalt de termijnen (11 stuks) netjes op tijd. Na het doen van aangifte blijkt dat u helemaal niet hoeft bij te betalen. Als de voorlopige aanslag wordt verminderd, krijgt u slechts €10.000 terug. Als u een negatieve nadere voorlopige aanslag krijgt, wordt er vanaf 1 juli 2009 heffingsrente vergoed.
De belastingdienst is geneigd om de eerste methode te gebruiken. In Hof Den Bosch 16 april 2010 nummer 08/00678 werd dat verdedigd met de redenering dat de wettekst in dat geval niet toeliet om een negatieve voorlopige aanslag op te leggen. Een negatieve voorlopige aanslag zou alleen kunnen worden opgelegd als er sprake is van verrekening van voorheffingen (loonheffing, dividendbelasting) of van negatieve inkomensbestanddelen van het inkomen, op grond waarvan de definitieve aanslag tot een teruggaaf zal leiden. Daarvan was in het berechte geval geen sprake. Het hof oordeelde echter dat de wettekst geen aanleiding geeft tot een dergelijke beperking. Als de inspecteur dan twee mogelijkheden heeft, dan moet hij kiezen voor de mogelijkheid met het grootste voordeel voor belastingplichtige.
De ombudsman heeft over dergelijke heffingsrenteproblematiek diverse rappoten uitgebracht. Daarin staan enkele veel voorkomende situaties en hoe de belastingdienst daar hoort te handelen. Deze rapporten staan in bovenstaande uitspraak (te vinden op www.rechtspraak.nl) overzichtelijk samengevat.
Per 1 januari 2010 wordt de heffingsrente berekend vanaf 1 januari van het jaar volgend op het belastingjaar. Het is maar dat u het weet.
|