Werkgevers kunnen weer subsidie praktijkleren aanvragen

Sinds 2 juni kunnen werkgevers een aanvraag doen voor de subsidie praktijkleren. Deze subsidie voor het aanbieden van praktijk-... Lees meer >

Sinds 2 juni kunnen werkgevers een aanvraag doen voor de subsidie praktijkleren. Deze subsidie voor het aanbieden van praktijk- en werkleerplaatsen is tot en met 17 september 2018 aan te vragen.

De subsidieregeling praktijkleren regelt dat organisaties een tegemoetkoming kunnen krijgen voor kosten die zij maken bij het aanbieden van een praktijk- of werkleerplaats aan een leerling of student. Per gerealiseerde praktijk- of werkleerplaats kan een werkgever maximaal € 2.700 ontvangen. Het aanvraagtijdvak van de subsidie voor het schooljaar 2017/2018 loopt van 2 juni 2018, 09.00 uur, tot en met 17 september 2018, 17.00 uur.

Voor schooljaar 2017/2018 grotere doelgroep

De doelgroep van de subsidieregeling praktijkleren is sinds dit jaar uitgebreid met leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs, praktijkonderwijs en de entree-opleidingen in het vmbo. Voor hen gelden dezelfde voorwaarden als voor vmbo-leerlingen in een leerwerktraject. Organisaties die de subsidie willen aanvragen, zijn hiervoor bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) aan het juiste adres. RVO.nl helpt organisaties op weg met een aantal belangrijke tips. Een aanvraag is mogelijk nadat de begeleiding van de leerling of student is afgelopen. RVO.nl waarschuwt dat werkgevers niet tot het laatste moment moeten wachten met aanvragen, als zij zeker willen zijn van de subsidie. Zo kost de aanvraag van de benodigde eHerkenning twee tot zeven werkdagen.

Toekomst van subsidieregeling nog onduidelijk

Voor 2018 is er binnen de subsidieregeling praktijkleren € 196,5 miljoen beschikbaar. Een groot deel hiervan (€ 188,9 miljoen) is bedoeld voor het mbo. De subsidieregeling praktijkleren loopt in haar huidige vorm tot en met 2018. Wat er met de regeling na 2018 gaat gebeuren, is nog niet duidelijk. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verwacht in de zomer een besluit te nemen over de voortzetting van de subsidieregeling.

Personeel & Salaris Online

Met Unit4 Personeel & Salaris Online heeft u een gebruiksvriendelijke en complete oplossing.... Lees meer >

Alleen een goede loonstrook is niet meer voldoende. In uw personeels- en salarisadministratie moeten meer processen en gegevens vastliggen. De trend naar online afhandeling van HR- en salarisadministratieve zaken is volop in beweging. Met Unit4 Personeel & Salaris Online heeft u een gebruiksvriendelijke en complete oplossing. Hierdoor bent u verzekerd van een accurate en snelle verwerking van de salarisadministratie. U heeft overzicht en controle en bepaalt samen met uw vaste contactpersoon binnen PNR administraties welke taken u zelf uitvoert en wat u aan ons overlaat. Compleet, efficiënt en  tijdsbesparend.

Met Unit4 Personeel & Salaris Online kunt u waar en wanneer u wilt, gegevens en informatie over uw personeel  inzien indien mogelijk invoeren en wijzigen.

Employee Self Service

Employee Self Service (ESS) vormt samen met UNIT4 Personeel & Salaris Online één totaaloplossing en biedt uw medewerkers:

  • Toegang tot loonstroken, jaaropgaven en andere documenten.

Meer info Inloggen Salaris online

Voorkom boetes en kijk uw arbocontract voor 1 juli na

Tot 1 juli 2018 heeft u als werkgever nog de tijd om uw arbocontract met de arbodienstverlener te wijzigen.... Lees meer >

Vanaf 1 juli 2017 geldt de vernieuwde Arbowet. Dat betekende de invoering van een verplicht basiscontract, en meer taken en bevoegdheden voor de bedrijfsarts. Tot 1 juli 2018 heeft u als werkgever nog de tijd om uw arbocontract met de arbodienstverlener te wijzigen. Daarna kunnen boetes volgen van de Inspectie SZW.

De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) geeft aan dat werknemers gezond en veilig moeten kunnen werken. Dit geldt ook voor uitzendkrachten, mensen met een nul-urencontract en stagiaires. Op basis van de Arbowet heeft iedere werkgever een zorgplicht voor goede arbeidsomstandigheden.

Verplicht basiscontract

Op 1 juli 2017 is de Arbowet aangepast. U bent sindsdien verplicht een basiscontract met de arbodienst of bedrijfsarts af te sluiten. Dit bevat de minimale arborechten en -plichten voor de werkgever, werknemer en de arbodienstverlener.

Meer preventie

In de vernieuwde Arbowet staat preventie van ziekte en verzuim meer centraal. Dit komt tot uitdrukking in het verplichte basiscontract. Ook zijn de taken en het functioneren van de bedrijfsarts duidelijker omschreven, met meer waarborgen voor een onafhankelijke oordeelsvorming en advisering door de bedrijfsarts. Daarnaast bevordert de gewijzigde Arbowet de betrokkenheid van werkgevers en werknemers, en versterkt de wet de rol van de preventiemedewerker.

Vangnet- en maatwerkregeling

Voor de arbodienstverlening konden werkgevers altijd kiezen tussen een vangnet- en een maatwerkregeling. Dat is ook na de wetswijziging zo gebleven. Bij de vangnetregeling brengt u uw arbotaken onder bij een gecertificeerde arbodienst. Een maatwerkregeling betekent dat u de arbotaken intern organiseert waarbij u minimaal een externe bedrijfsarts inhuurt.

Onderdelen arbocontract

In het verplichte basiscontract met de arbodienst of zelfstandige bedrijfsarts moet een aantal wettelijke verplichte onderdelen staan. Het gaat om verplichtingen die al bestonden op 1 juli 2017 of toen nieuw waren. U vindt hier (zie de derde vraag en antwoord) alle eisen waaraan u moet voldoen in het basiscontract.

Risico-inventarisatie & evaluatie

Bij de arboverplichtingen die al bestonden voor 1 juli 2017 gaat het onder andere om de risico-inventarisatie & evaluatie (RI&E), ziekteverzuimbegeleiding en het voorkomen van ziekteverzuim, het kunnen aanbieden van een periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek (PAGO).Verder moet de werkgever verplicht een advies vragen bij de bedrijfsarts of een aanstellingskeuring voor een bepaalde functie terecht is. Ook de preventiemedewerker was al verplicht.

Toegang tot bedrijfsarts

Een nieuwe verplichting per 1 juli 2017 is dat elke werknemer het wettelijk recht heeft om zonder uw toestemming de bedrijfsarts te bezoeken. In het basiscontract moet staan hoe u de toegang van werknemers tot de bedrijfsarts regelt via bijvoorbeeld een spreekuur. Daarnaast moet de werknemer een door u betaalde second opinion aan kunnen vragen bij een andere, onafhankelijke bedrijfsarts.

Verzuimbegeleiding

Een andere nieuwe eis is dat het basiscontract overleg van de bedrijfsarts met de preventiemedewerker en de ondernemingsraad (OR) of personeelsvertegenwoordiging (PVT) regelt. Verder moet de advisering van de bedrijfsarts aan de werkgever over preventie in het basiscontract staan. De bedrijfsarts adviseert voortaan ook bij de verzuimbegeleiding. Tevens moet de bedrijfsarts tijd kunnen besteden aan het onderkennen en melden van beroepsziekten. Tot slot heeft de OR of PVT instemmingsrecht gekregen bij de keuze wie in een organisatie preventiemedewerker wordt en wat de exacte inhoud van het basiscontract is.

Dus tijdig een goed basiscontract

U kunt een bestaand arbocontract dat niet voldoet aan de eisen van het basiscontract tot 1 juli 2018 aanpassen. Sluit u een nieuw contract af dan moet dat direct voldoen aan alle eisen. Let erop dat u tijdig over een goed basiscontract beschikt. De Inspectie SZW handhaaft hierop en kan boetes opleggen tot 1500 euro.

Ook procedure tegen nieuwe opzet vermogensbelasting

Bond van Belastingbetalers start ook een procedure tegen de opzet van de vermogensrendementsheffing in de aangifte over 2017... Lees meer >

De Bond van Belastingbetalers start ook een procedure tegen de opzet van de vermogensrendementsheffing in de aangifte over 2017.

Dit meldt de bond dinsdag. Voor dit jaar is de opzet voor de vermogensbelasting aangepast, maar er wordt nog steeds belasting over een fictief rendement betaald en daar heeft de bond kritiek op.

Voor de aangifte over 2017 heeft de overheid een verdeelsleutel gemaakt. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat particulieren met een groter vermogen meer rendement maken. De bond noemt deze nieuwe opzet een cosmetische aanpassing en wil dat er belasting wordt geheven op het daadwerkelijk behaalde rendement.

“Het confronteert belastingplichtigen nog steeds met een buitensporige belastinglast. Met name de belastingbetaler die spaart voor een aanvullend pensioen of spaarzaam leeft, wordt geraakt”, aldus Cor Overduin van accountantskantoor Grant Thornton, die de bond bijstaat in de zaak.

Aangifte 2014

Eerder was de bond al een juridische procedure gestart tegen de vermogensrendementsheffing voor de aangifte over 2013 en 2014. In die aangifte werd uitgegaan van een rendement van 4 procent op het vermogen. Op dat rendement werd vervolgens 30 procent belasting betaald.

Zo’n vijftienduizend mensen tekenden toen bezwaar aan. Begin dit jaar oordeelde het gerechtshof in Amsterdam dat het aan de overheid en niet aan de rechter is om de hoogte van de vermogensbelasting te bepalen, hoewel het hof een rendement van 4 procent niet realistisch vond.

Bron: NU.nl

Absurde belastingzaken: vestzak broekzak

In discussies over het nut van belastingen komt altijd de vraag voorbij of er niet gewoon sprake is van... Lees meer >

In discussies over het nut van belastingen komt altijd de vraag voorbij of er niet gewoon sprake is van ‘geld rondpompen’. Het geld dat de overheid in een van haar vele hoedanigheden aan burgers uitkeert, vordert de fiscus voor een deel weer terug als belasting. Dat kan mensen ernstig in de problemen brengen.

Een vrouw moet continu worden verzorgd, omdat zij door meerdere ziekten bedlegerig is. Ze is arbeidsongeschikt verklaard, en krijgt een WIA- en een Wajong-uitkering, waar ze niet goed van kan rondkomen.

Mensen die door hun ziekte hulpbehoevend zijn, kunnen van het UWV een aanvulling op hun uitkering krijgen, voor medische kosten. De vrouw ontvangt bijna 7.500 euro per jaar als aanvulling, maar moet hierover wel weer belasting betalen. Bovendien telt de aanvulling op de uitkering ook mee voor het verzamelinkomen. Een groot aantal tegemoetkomingen, zoals toeslagen, bijzondere bijstand en kwijtschelding gemeentelijke lasten, is afhankelijk van de hoogte van dat verzamelinkomen. Ook dat kost haar geld.

Nationale ombudsman vraagt vergeefs om een oplossing

Zij legt haar situatie voor aan de Nationale ombudsman. Die vindt dat er een onacceptabele situatie ontstaat voor de vrouw, en voor andere mensen die hulpbehoevend zijn. Er komt echter geen oplossing, omdat de verschillende overheidsinstanties bang zijn voor ‘precedentwerking’.

Volgens het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen het UWV en de Belastingdienst ‘niet zomaar een uitzondering op de regel toestaan’.

Het ministerie van Financiën wil niets veranderen omdat de aanvulling ‘niet als vergoeding van concrete uitgaven in verband met ziekte of handicap kan worden gezien’.

De ombudsman moet uiteindelijk teleurgesteld concluderen dat de instanties geen problemen hebben met de negatieve financiële gevolgen. Sommige instanties vinden zelfs dat er helemaal geen sprake is van een fout. Ze hebben ‘minimaal aandacht voor de gevolgen van de regeling’ voor de vrouw, vindt de ombudsman.

Ook de rechter kan geen soelaas bieden

Uiteindelijk legt de vrouw haar situatie voor aan de Rechtbank Gelderland, maar ook daar schiet zij niet veel mee op. De rechter mag zich namelijk niet direct bemoeien met de inhoud van de wet en de uitwerking ervan.

De aanvulling wordt gelijkgesteld met de ontvangen uitkering, en is dus eveneens belast. Uit de geschiedenis van de bepaling blijkt niet dat de aanvulling anders zou moeten worden behandeld.

Een aantal uitkeringen is wel daarvan vrijgesteld, maar in deze lijst wordt de aanvulling niet genoemd. De vrouw stelt, terecht, dat twee van de vrijgestelde uitkeringen heel erg lijken op de aanvulling die zij krijgt, maar alleen de letterlijk genoemde uitkeringen zijn vrijgesteld.

Een lichtpuntje

De rechtbank kan alleen maar bevestigen dat ook de aanvullingen op de WIA- en de Wajong-uitkering zijn belast. Het ministerie van Financiën ontkent dat de aanvulling is bedoeld voor concrete uitgaven, en stelt dat de extra uitkering vrij kan worden besteed. Uit een brief van het ministerie van Sociale Zaken blijkt echter dat mensen alleen recht hebben op de verhoging als er extra kosten moeten worden gemaakt door ziekte. Een verzekeringsarts stelt vast of iemand daadwerkelijk hulpbehoevend is, en de aanvulling nodig heeft.

Reparatie kost miljoenen

Volgens de brief van Sociale Zaken hadden in 2010 ongeveer 6.500 mensen recht op een aanvulling. De groep benadeelden is dus niet heel klein, en het is wel duidelijk waarom de overheid bang is voor precedentwerking.

Een aanpassing van de regeling kost waarschijnlijk tientallen miljoenen, maar is wel dringend noodzakelijk. De aanvulling is bedoeld voor ‘echte’ medische kosten, en moet dus niet verdwijnen in de zak van de fiscus, en van andere overheidsinstanties.

Bron: Elsevier

6 Procent btw voor loopfietsen bestemd voor invaliden en mindervaliden

Alleen loopfietsen die speciaal zijn ontworpen en ingericht en worden aangeboden voor gebruik door invalide of minder valide personen,... Lees meer >

Alleen loopfietsen die speciaal zijn ontworpen en ingericht en worden aangeboden voor gebruik door invalide of minder valide personen, zijn belast met 6% btw.

Loopfietsen bieden personen die slecht ter been zijn, de mogelijkheid zich te verplaatsen zonder de benen met het eigen gewicht te belasten, door zittend op het voertuig loopbewegingen te maken.

Invalidenwagentjes en invalidenkrukken zijn belast met het lage btw-tarief van 6%. Hulpmiddelen die met deze producten zijn te vergelijken, kunnen ook worden geleverd tegen dat tarief. Deze hulpmiddelen moeten dan wel specifiek zijn ingericht om te worden gebruikt door invaliden of mindervaliden. De fysieke kenmerken, de maatschappelijke presentatie én de bestemming van het product geven daarbij de doorslag.

Een loopfiets is dus alleen belast met 6% btw, als die loopfiets speciaal is ontworpen en ingericht voor, en wordt aangeboden en aangepast aan, invaliden en mindervaliden.

Bron: Belastingdienst

Oudedagsverplichting (ODV) en testament

Vorig jaar is bij menig directeur grootaandeelhouder (DAG) de beslissing genomen over hoe verder te gaan met het pensioen... Lees meer >

Vorig jaar is bij menig directeur grootaandeelhouder (DAG) de beslissing genomen over hoe verder te gaan met het pensioen in eigen beheer. Zoals uit de kranten blijkt hebben meer van hen dan werd verwacht het pensioen afgekocht met gebruikmaking van de voor 2017 geldende vrijstelling van 34,5% van de fiscale waarde per 31-12-2015.

Sommige hebben de keuze nog even voor zich uit geschoven en anderen hebben reeds gekozen om de pensioenvoorziening om te zetten in een zogenaamde oudedagsverplichting, de ODV.
Bij deze laatste optie dienen een aantal zaken goed geregeld te zijn en dient men zich van de “spelregels” bewust te zijn. In navolgende zoemen we in op de erfgenamen van de DGA in combinatie met de ODV.

Termijn van de ODV
De ODV dient in 20 jaarlijkse termijnen uitgekeerd te worden ingaand binnen de bandbreedte van niet eerder dan 5 jaar vóór de AOW-gerechtigde leeftijd ( die jaren dienen bij de 20 uitkeringsjaren te worden bijgeteld) dan wel uiterlijk  binnen 2 maanden ná het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Is de ODV nog niet ingegaan bij overlijden van de DAG dan dient de uitkering binnen 12 maanden ná diens overlijden in te gaan dan wel kunnen de erfgenamen kiezen de ODV af te storten bij een verzekeringsmaatschappij.

Uitkering resterende termijnen
Volgens de wet dienen te resterende uitkeringstermijnen uitgekeerd te worden aan de erfgenamen. Om te voorkomen dat de uitkeringen deels ook toekomen aan de erfgenaam-kinderen dient de uitkering testamentair gelegateerd te worden aan de langstlevende/erfgenaam. Over dit laatste zijn de meningen nog verdeeld of dit testamentair moet worden vastgelegd. Echter tot dat daar meer duidelijkheid over is, is het raadzaam hierover wel nader met uw notaris van gedachten te wisselen en daar waar nodig een en ander vast te leggen.

Bron: Actuele Artikelen

Eigen bijdrage WLZ

Regelmatig komt de vraag voorbij of de eigenwoning van ouders meetelt voor de bepaling van de hoogte van de... Lees meer >

Regelmatig komt de vraag voorbij of de eigenwoning van ouders meetelt voor de bepaling van de hoogte van de eigen bijdrage bij opname van de ouders in een verzorgingstehuis. Dit op basis van de in 2013 ingevoerde Wet Langdurige Zorg (WLZ).

Deze bijdrage is afhankelijk van meerder factoren zoals de huwelijkse staat, samenstelling van het gezin, het verzamelinkomen ( is het inkomen van box 1,2én 3 bij elkaar geteld) en het vermogen in box 3 indien dit vermogen meer bedraagt dan het heffingsvrije vermogen van (nu) € 30.000. Hierna beperken we ons even tot de vraag zoals gesteld ten aanzien van de eigen woning.

Wat is de hoofdregel?
Hoofdregel is dat voor de bepaling van de hoogte van de eigen bijdrage gekeken wordt naar het inkomen en vermogen van de twee voorafgaande jaren. Verder wordt vanaf 1-1-2018 10% van het box 3 vermogen bijgeteld bij het zogenaamde bijdrageplichtig inkomen. Dit is dus náást het box 3 vermogen dat al in het hiervoor genoemde verzamelinkomen is meegenomen.

De eigen woning behoort tot het inkomen in box 1
Als de eigen woning eigendom is van de ouders en de langstlevende die wordt opgenomen in het verzorgingstehuis heeft tot dát moment in die woning gewoond als zijnde het hoofdverblijf, dan kan deze woning nog maximaal 3 jaar ná het kalenderjaar waarin de langstlevende in het verzorgingstehuis is opgenomen in box 1 worden aangegeven.  En dus blijft het dan buiten het box 3 vermogen.

Bij verkoop woning box 3
Dat is uiteraard anders als de woning verkocht wordt binnen die drie jaar. De opbrengst maakt dan immers onderdeel uit van het bank saldo en dus ban box 3. Zou een van beide ouders opgenomen worden in een verzorgingstehuis en de ander nog in de woning blijven wonen dan blijft de woning in box 1.

Goede vastlegging noodzakelijk
Een ingewikkelde regeling waarbij het goed is voordat een situatie van opname in een verzorgingstehuis zich voordoet eens goed te kijken hoe zaken geregeld zijn. Goede vastleggingen in een testament kunnen ook een steentje bijdrage in het beperken van de hoogte van de eigen bijdrage.

Bron: Actuele Artikelen

Kritiek op schrappen jaarlijkse BTW-aangifte

De regeling die in 2020 de huidige kleineondernemersregeling moet gaan vervangen, wordt over het algemeen redelijk positief ontvangen. Maar... Lees meer >

De regeling die in 2020 de huidige kleineondernemersregeling moet gaan vervangen, wordt over het algemeen redelijk positief ontvangen. Maar uit de reacties op de internetconsultatie over het voorstel klinkt ook kritiek. Bijvoorbeeld op het schrappen van de mogelijkheid om één keer per jaar BTW-aangifte te doen.

De kleineondernemersregeling (KOR) is een lastenverlichting voor ondernemers die jaarlijks minder dan € 1.883 aan BTW hoeven af te dragen. Als zij de KOR gebruiken hoeven zij geen of minder BTW af te dragen. En ze kunnen onder voorwaarden de BTW-administratie achterwege laten.

Nieuwe regeling gekoppeld aan omzet

De KOR is dus gekoppeld aan het bedrag aan BTW dat een ondernemer jaarlijks moet afdragen. Het kabinet wil de regeling vervangen door een regeling die uitgaat van de omzet van een ondernemer: de OVOB. Dat zou het voor ondernemers én de Belastingdienst veel minder bewerkelijk maken. Bovendien gaat de regeling gelden voor alle rechtsvormen in plaats van alleen de IB-ondernemer.
Uit de reacties op de internetconsultatie blijkt dat de OVOB in het algemeen redelijk positief wordt ontvangen. Onder meer de versimpeling van de regels die het oplevert en het feit dat ondernemers nog steeds kunnen kiezen of ze de regeling gebruiken vallen in de smaak. Maar er ontbreekt ook nog een belangrijke pijler van de regeling. Want waar komt de omzetgrens te liggen? Dat vertelt het wetsvoorstel nog niet, want daarvoor moet er eerst goedkeuring zijn uit Europa. Uit de reacties spreekt de wens om de grens in elk geval in lijn te laten zijn met buurlanden en misschien zelfs Europees te regelen.

Jaarlijkse BTW-aangifte vervalt

Verder vervalt in het wetsvoorstel de mogelijkheid om jaarlijks BTW-aangifte te doen in plaats van per kwartaal. Ondernemersorganisaties VNO-NCW, MKB-Nederland, PZO en LTO Nederland willen die mogelijkheid graag behouden, omdat de administratieve lasten voor ondernemers anders juist weer groeien. VNO-NCW en MKB-Nederland hebben de indruk dat dit vooral is ingegeven vanuit ‘het uitvoeringsbelang van de Belastingdienst’.
Dat geldt volgens de organisaties ook voor de zogenoemde bezinningsperiode van drie jaar in het voorstel. Ondernemers die hebben gekozen voor de OVOB moeten minstens drie jaar in de regeling blijven. En als ze eruit stappen, kunnen ze pas na drie jaar weer een aanvraag indienen.
De beroepsvereniging van belastingadviseurs NOB vraagt in zijn reactie onder meer aandacht voor de overgang tussen de regelingen. Zo kunnen ondernemers in de situatie komen dat zij de BTW op investeringen uit het verleden willen herzien. Vraag is hoe dat moet als er helemaal geen BTW-administratie is. Ook vraagt de NOB om meer duidelijkheid over welke BTW-vrijgestelde activiteiten er nu precies meetellen voor de omzetgrens.

Fiscus wijst alle bezwaren privégebruik auto en BTW af

Belastingdienst heeft de bezwaarschriften die vorig jaar zijn ingediend tegen de BTW en het privégebruik van de auto van... Lees meer >

De Belastingdienst heeft de bezwaarschriften die vorig jaar zijn ingediend tegen de BTW en het privégebruik van de auto van de zaak allemaal afgewezen. Het bewijs dat moest worden aangeleverd was volgens de fiscus veel te mager.

Op 1 juli 2011 is er een forfaitaire regeling gaan gelden voor de BTW-correctie voor het privégebruik van de auto van de zaak. Er wordt hierbij in principe gerekend met een vast percentage van 2,7% van de catalogusprijs van de auto van de zaak als de ondernemer/chauffeur geen kilometerregistratie bijhoudt. Sinds de invoering van dit systeem werden er zo’n twee miljoen bezwaren ingediend, onder meer van ondernemers die stelden dat de werkelijke kosten van het privégebruik veel lager waren dan die 2,7%. Al die grieven werden eerder aangemerkt als massaal bezwaar. Vervolgens legde men vier zaken voor aan de Hoge Raad.

Onderbouwing uitgaven nodig

Ons hoogste rechtsorgaan gaf aan dat ondernemers recht hebben op teruggave, als zij door het forfait meer BTW hebben betaald dan nodig was geweest over de (werkelijke) uitgaven die waren toe te rekenen aan het privégebruik. Maar dan moest wel onderbouwd worden dat die kosten daadwerkelijk lager waren.  Als er geen sluitende kilometeradministratie was, moest de ondernemer dus de omvang van het privégebruik (per auto) aannemelijk maken. Volgens de Hoge Raad moest hierbij rekening gehouden worden met:

  • de aard van de onderneming;
  • de zakelijke doeleinden waarvoor de ter beschikking gestelde auto binnen de onderneming gebruikt wordt;
  • de positie en de werkzaamheden binnen de onderneming van de gebruiker van de auto;
  • de wijze waarop de auto voor privédoeleinden mag worden gebruikt of is gebruikt (zoals voor woon-werkverkeer).
    Voor die onderbouwing hadden ondernemers tot 15 juli 2017 de tijd.

Alle bezwaren afgewezen

Zo’n 2.000 ondernemers hebben een bezwaar met een onderbouwing van het lagere privégebruik ingediend. De Belastingdienst heeft echter alle bezwaren aan de hand van een onlangs gepubliceerd draaiboek afgewezen.

ga naar nieuwsarchief >