Bewijslast kosten privegebruik auto rust op ondernemer

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat een ondernemer niet aannemelijk maakt dat de werkelijke kosten van het privégebruik van een auto lager zijn dan de kosten die zijn berekend op basis van het forfait. Ofschoon de forfaitaire berekeningswijze volgens de Hoge Raad in strijd is met de Zesde richtlijn, is het toch aan de ondernemer om nadere gegevens te verstrekken.

De ondernemer doet btw-aangifte over het vierde kwartaal van 2008. In deze aangifte heeft hij ter zake van het privégebruik van een tot zijn bedrijfsvermogen behorende auto een forfaitair bedrag aangegeven. In geschil is of art. 15 Uitv. besch. omzetbelasting 1968 in strijd is met het EU-recht. De ondernemer stelt dat de werkelijke kosten van het privégebruik lager zijn dan de forfaitair berekende heffingsmaatstaf. Naar aanleiding van HR 30 november 2012, nr. 08/01579bis is de ondernemer door de rechtbank tot twee keer toe in de gelegenheid gesteld om zijn stelling te onderbouwen.

De rechter oordeelt dat de ondernemer niet aannemelijk maakt dat de werkelijke kosten van het privégebruik lager zijn dan de kosten die zijn berekend op basis van het forfait. Ofschoon de forfaitaire berekeningswijze volgens de Hoge Raad in strijd is met de Zesde richtlijn, is het toch aan de ondernemer om de gegevens te verstrekken die voor de vaststelling van de werkelijke uitgaven voor het privégebruik van de auto nodig zijn. De enkele stelling dat de ondernemer heeft gekozen voor het niet bijhouden van een km-administratie en hij daardoor geen splitsing kan maken in zakelijk en privé, bevrijdt hem niet van de bewijslast in deze. Het beroep van de ondernemer is ongegrond.