Door Belastingdienst gebruikte afroommethode gebruikelijk loon DGA verworpen

De door de Belastingdienst toegepaste afroommethode voor bepaling van het gebruikelijk directeur-grootaandeelhouder (DGA) loon van beroepsbeoefenaren, zoals advocaten, notarissen en accountants, is in een door PlasBossinade aanhangig gemaakte zaak in 2012 door de Hoge Raad verworpen. Het gerechtshof Amsterdam heeft na verwijzing door de Hoge Raad op 26 september jl. opnieuw in het voordeel van de belastingplichtige geoordeeld, zo meldt het Groningse advocaten- en notarissenkantoor.

Resultaat: de Belastingdienst moet aantonen dat het loon in soortgelijke dienstbetrekkingen hoger is. Lukt dat niet, dan is correctie van het inkomen van een DGA niet mogelijk.

De wet

Uit de wet volgt dat wanneer een DGA een salaris geniet van ten minste € 43.000, de inspecteur aannemelijk moet maken dat in soortgelijke dienstbetrekkingen een hoger loon gebruikelijk is. Slaagt de inspecteur in zijn bewijslast, dan kan het inkomen worden gecorrigeerd tot zeventig procent van dit hogere loon en mogelijk tot negentig procent in de toekomst.

De praktijk, afroommethode

In de praktijk kwam het er op neer dat de Belastingdienst de stap om eerst aannemelijk te maken dat een hoger loon gebruikelijk is, oversloeg en direct de stelling betrok dat de winst van de BV kon worden afgeroomd ten gunste van het gebruikelijk loon van de DGA. Deze afroommethode houdt in dat het gebruikelijk loon wordt gesteld op zeventig procent van de omzet (min kosten en lasten) van de BV waarin de beroepsbeoefenaar DGA is. Dit leidt tot een hoger loon en dus meer inkomstenbelasting. Het toepassen van deze methode is voor de Belastingdienst eenvoudiger dan nagaan wat nu de dienstbetrekking inhoudt en aan de hand daarvan na te gaan wat iemand in een soortgelijke dienstbetrekking verdient.

Bewijslast

De DGA in deze zaak betoogde dat de Belastingdienst de bewijslast had aan te tonen dat het gebruikelijk loon te laag was en dat de Belastingdienst daarin niet was geslaagd. Er was eenvoudigweg niets over gesteld. Los daarvan stelde de DGA, dat zijn loon niet te laag was gezien de lonen van het kantoor waaraan de DGA als advocaat was verbonden. Bij het salaris van de meest verdienende advocaat-medewerkers van het betreffende kantoor, was met de factor aanmerkelijk belang geen rekening gehouden, terwijl de overige omstandigheden met betrekking tot opleiding, aard en omvang van de werkzaamheden en andere feiten en omstandigheden (vrijwel) gelijk zijn. De invulling van de soortgelijke dienstbetrekking moest dus dicht bij huis worden gezocht. In navolging van de Hoge Raad is nu ook het gerechtshof Amsterdam het eens met de DGA en heeft de aan hem opgelegde aanslagen vernietigd.