Omkering van de bewijslast

De fiscus beschikt over diverse instrumenten om frauderende ondernemers te ontmaskeren. Iemand die geen aangifte doet of een veel te laag bedrag aangeeft, krijgt bij ontdekking een correctie aan zijn broek. Maar hoe kan de fiscus die correctie bepalen als de administratie onvolledig is of gewoonweg vervalst? In zo’n geval kan de inspecteur de belastbare winst schatten. Hij gaat daarbij aan de hoge kant zitten. De inspecteur mag dat doen, zolang de schatting maar niet onredelijk is. Dat is in de fiscale rechtspraak uitgemaakt.

Normaliter moet de inspecteur een correctie bewijzen. Nu worden in fiscale zaken aan het bewijs veel minder zware eisen gesteld dan in strafzaken. In strafzaken moet het openbaar ministerie het strafbare feit overtuigend aantonen. In fiscale zaken hoeft een correctie alleen maar aannemelijk te worden gemaakt. Als een ondernemer heeft gefraudeerd, wordt de bewijslast omgekeerd. Dan is het niet de inspecteur die de correctie moet bewijzen, maar moet de belastingplichtige bewijzen dat de schatting onjuist is. Als de inspecteur op basis van schenknormen – uit een vat bier schenk je normaliter x glazen en dat correspondeert met x euro omzet – tot een schatting komt, zou de kroegbaas kunnen stellen dat zijn tapinstallatie lekt of dat het bij hem in het weekend altijd happy hour is. In de wet staat dat de schatting wordt gehandhaafd, tenzij is gebleken dat zij onjuist is. De bewijslast wordt niet alleen omgekeerd, ook moet de onjuistheid van de schatting overtuigend worden aangetoond. Met andere woorden, hiervoor geldt de zware bewijslast.

Een ondernemer die in zo’n procedure verzeilt raakt, bevindt zich in een lastig parket. Meestal loopt het bij de rechter verkeerd af. Veel ondernemers leggen het hoofd al vroegtijdig in de schoot, omdat zij van een procedure voor de belastingrechter geen succes verwachten. Maar sommige ondernemers hebben bij de belastingrechter wel degelijk succes. Het komt voor dat de fiscus rekenfouten heeft gemaakt, verkeerde normen heeft gehanteerd en geen rekening heeft gehouden met bijzondere omstandigheden die een lage winst verklaren. Sommige belastingcontroleurs hebben last van bedrijfsblindheid en tunnelvisie. Zij denken dat er geen eerlijke ondernemers zijn en dat de ene fraudeur alleen slimmer is dan de andere. Gelukkig hebben wij in Nederland onafhankelijke rechters die onbevangen naar de feiten kijken en gevoelig zijn voor reële argumenten. Als de inspecteur het echt bont heeft gemaakt, veroordeelt de rechter hem zelfs tot schadevergoeding