Besluit uitfasering pensioen in eigen beheer directeur-grootaandeelhouders: verlenging termijn insturen informatieformulier

editie december 2018 Papieren aandeelhoudersregister is vaak niet op orde De aandeelhoudersregistratie van bedrijven is vaak niet actueel, onvolledig, onjuist of zelfs kwijt. Dit blijkt uit een peiling van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB). Van de 708 deelnemende (kandidaat-)notarissen geeft 34 procent aan dat dit ‘regelmatig’ het geval is. Nog eens 35 procent zegt ‘vaak’ en 16 procent zelfs ‘heel vaak’. CAHR? De Tweede Kamer is begonnen aan de behandeling van het initiatiefwetsvoorstel voor een centraal aandeelhouders¬register (CAHR). Het CAHR geeft inzicht in wie schuil gaan achter bv’s en niet-beursgenoteerde nv’s en levert hierdoor een waardevolle bijdrage aan voorkoming en bestrijding van financieel-economische criminaliteit door middel van rechtspersonen. Het CAHR dient mede de rechtszekerheid, omdat er – zoals uit de peiling blijkt – geregeld iets mis is met de aandeelhoudersregistratie van vennootschappen. Het CAHR heeft een belangrijke toegevoegde waarde ten opzichte van het UBO-register. Dit register wordt gedeeltelijk openbaar. Veel bedrijven – met name familiebedrijven – maken zich zorgen over deze openbaarheid. Lobby Voor de lobby heeft de KNB de leden een paar vragen gesteld. Hoe vaak herstructureren cliënten – met het UBO-register in zicht – hun bedrijf om registratie in dat register te voorkomen? En hoe vaak is er iets mis met het huidige aandeelhoudersregister, het zogenoemde klappertje? 22 procent van de beroepsgroep nam deel aan de peiling. 62 procent van de ondervraagden maakt ‘soms’ tot ‘heel vaak’ mee dat cliënten herstructurering overwegen, in gang zetten of hierover advies vragen om registratie in het UBO-register te voorkomen. De KNB denkt dat dit toeneemt als het UBO-register wordt ingevoerd en zal daarom in een later stadium opnieuw peilen. Besluit uitfasering pensioen in eigen beheer directeur-grootaandeelhouders: verlenging termijn insturen informatieformulier Bij afkoop of omzetting van pensioenrechten hebben directeur-grootaandeelhouders voortaan een jaar de tijd om het informatieformulier in te sturen. Dit staat in het besluit dat op 31 oktober 2018 is gepubliceerd in de Staatscourant. Het besluit maakt het ook mogelijk om (ex-)partners het informatieformulier alsnog te laten ondertekenen. De belastingdienst verlengt de termijn voor het insturen van het ‘informatieformulier Afkoop of omzetting van pensioen in eigen beheer’ tot een jaar. Directeur-grootaandeelhouders die vóór 13 december 2017 hun pensioenvoorziening in eigen beheer hebben afgekocht of omgezet, kunnen het informatieformulier ook nog insturen. Het moet dan uiterlijk op 12 december 2018 binnen zijn. Ondertekening door (ex-)partner Als het informatieformulier ten onrechte niet door de (ex-)partner is ondertekend, dan ontvangt u een verzoek van ons. In dit verzoek stelt de inspecteur de (ex-)partner alsnog in de gelegenheid dit formulier te ondertekenen. De inspecteur stelt hiervoor een termijn van tenminste 6 weken. Einde aan onzekerheid Tot en met 2019 geldt een regeling waarbij directeur-grootaandeelhouders de mogelijkheid hebben om hun pensioenvoorziening in eigen beheer met een fiscale korting af te kopen. Veel informatieformulieren kwamen te laat of zonder handtekening van de (ex-)partner binnen. Het besluit maakt een einde aan de onzekerheid bij directeur-grootaandeelhouders of ze dan nog wel recht hebben op deze regeling. Is het informatieformulier – juist en volledig ingevuld – binnen de verlengde termijn aangeleverd, dan komt de afkoop of omzetting van het pensioen in eigen beheer (toch) in aanmerking voor de fiscale korting. Voorwaarde is wel dat de aangifte loonheffingen op tijd en volledig is ingediend en dat de loonheffingen op het afkoopbedrag zijn betaald. Een crediteur die een schuldregeling weigert kan worden veroordeeld in de kosten van een proces Het bekende uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat 100 % van zijn vordering, met rente en incassokosten, wordt voldaan. Als een schikkingsaanbod voorziet in een aanzienlijk lagere uitdeling op een uitstaande vordering dan zal de crediteur weigeren. Maar ons recht kent het zogenaamde dwangakkoord (in artikel 287a van de Faillissementswet) als het gaat om een debiteur die in een problematische schuldensituatie verkeert. Een ondernemer kan zelf in zo’n crediteurenpositie zitten, maar natuurlijk omgekeerd ook zelf zo’n debiteur zijn. De vraag die de rechter zich dan stelt is: Worden door de weigering de belangen van de overige schuldeisers en van verzoeker geschaad ? En zo ja, hebben die belangen dan voorrang boven de belangen van de crediteur? Recente zaak In een recente zaak overwoog de Rechtbank te Utrecht dat het schikkingsaanbod aan de schuldeisers het maximum haalbare was in deze omstandigheden. En dat de crediteur alleen maar minder zou kunnen krijgen, als het aan zou komen op een wettelijke schuldsaneringsprocedure van drie jaar lang. Dit is een zeer belangrijk gegeven in de dwangakkoord-afweging. Belangenafweging Volgens de crediteur (een verhuurder) zou de debiteur – zodra hij tot de arbeidsmarkt is toegetreden – aan zijn schuldeisers een hoger aanbod kunnen doen. De rechtbank was echter van oordeel dat dit niet erg aannemelijk was: het vinden van betaald werk op grond van het problematische verleden van de debiteur, zijn situatie en zijn leeftijd was onwaarschijnlijk (hij was bijna 66 jaar). Redelijkerwijs was dus niet te verwachten dat hij voor zijn schuldeisers echt meer zou kunnen sparen. Er waren ook geen vermogensbestanddelen meer aanwezig die iets zouden kunnen opleveren. De crediteur kon daarom in redelijkheid worden verplicht om aan het akkoord mee te werken, en de rechtbank wees het verzoek dwangakkoord toe. Leeftijd kan meespelen in proceskostenveroordeling Ook was verzocht om de crediteur te veroordelen in de kosten van de procedure. Lid 6 van artikel 287a Faillissementswet geeft daar een wettelijke grondslag voor. In de omstandigheden van dit geval waar evident is dat verzoeker binnenkort de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en waarin de verhuurder niet heeft gemotiveerd waarom de debiteur nog zou beschikken over vermogen, is de rechtbank van oordeel dat voor de verliezende partij een veroordeling in de proceskosten moet worden uitgesproken. De rechtbank beschouwt de wettelijk verplichte begeleiding in de minnelijke schuldhulpverlening als een soort rechtsbijstand en knoopt dus aan bij het tarief van de verplichte procesvertegenwoordiging, in dit geval ruim € 600,-. Deze uitleg vormt een extra prikkel voor crediteuren om in ieder geval op gemotiveerde wijze een schikking te weigeren en om hun knopen goed te tellen alvorens het op een behandeling van een verzoekschrift dwangakkoord aan te laten komen. In welke privégegevens mag de Belastingdienst allemaal kijken? De Belastingdienst vraagt via een kort geding om inzage in het gebruik van een Museumkaart. De kans op een overwinning voor de fiscus is groot. Belastinginspecteurs mogen vrijwel onbeperkt rondneuzen in het privéleven van de burger, mits zij dat doen in het kader van de belastingcontrole. Dat wettelijk recht informatie op te vragen gaat verder dan alleen bank- en inkomensgegevens. De Belastingdienst kan ook navragen waar en wanneer iemand heeft geparkeerd, wanneer hij met de trein heeft gereisd en welke tentoonstellingen een houder van een museumkaart heeft bezocht. Inzage museumbezoek? De Belastingdienst wil inzage in het museumbezoek van een kaarthouder die op zijn belastingaangifte heeft ingevuld dat hij of zij in 2014 in het buitenland woonde. De fiscus vermoedt waarschijnlijk dat de kaarthouder wel in Nederland verbleef en hoopt dat te kunnen aantonen via diens bezoek aan Nederlandse musea. De stichting die de Museumkaart uitgeeft weigert echter aan het informatieverzoek van de fiscus te voldoen omdat dit de privacy van de kaarthouder zou aantasten. Hierover dient een kort geding bij de rechtbank van Amsterdam over dit geschil, aangespannen door de Belastingdienst. Fiscus staat sterk De kans dat de rechter in het voordeel van de Belastingdienst beslist is groot. De wet geeft de fiscus ruime bevoegdheden om informatie op te vragen. Dat moet ook wel, anders kan de dienst zijn werk niet goed doen. De fiscus moet immers kunnen controleren of de ingevulde belastingaangifte waarheidsgetrouw is. Daarvoor moeten belastingambtenaren ook gegevens bij derden kunnen opvragen. Om te bepalen of iemand in aanmerking komt voor huurtoeslag moet de belastingdienst kunnen nagaan welk inkomen die persoon geniet en hoeveel huur hij betaalt, of hij samenwoont en zo ja: welk inkomen die partner dan heeft. Bedrijven moeten verplicht meewerken Alle bedrijven en instellingen die over fiscaal relevante gegevens van belastingplichtigen beschikken, zijn verplicht die gegevens zeven jaar te bewaren. Ook burgers die bepaalde kosten van de belasting aftrekken, moeten vijf jaar later nog kunnen aantonen dat die aftrekpost gerechtvaardigd was. Zij zijn er zelf verantwoordelijk voor dat zij de bewijsstukken al die tijd bewaren. In 2013 kregen sommige Nederlanders daarmee te maken toen de Belastingdienst hun vroeg bewijs te overleggen van in 2011 gemaakte treinreiskosten. De Nederlandse Spoorwegen bleken de ov-chipkaartgegevens maar anderhalf jaar lang te bewaren, waardoor de belastingplichtigen die hun ov-chipkaartgegevens niet hadden opgeslagen en bewaard een naheffing opgelegd kregen.