Te weinig belasting betaald, maar niet opzettelijk

Als een inspecteur een vergrijpboete wil opleggen zal hij aannemelijk moeten maken dat een onderneming willens en wetens te weinig belasting heeft betaald. Dat lukt niet altijd, zo blijkt uit een onlangs gepubliceerde uitspraak van de rechtbank in Groningen.

In deze zaak draaide het om een bv, die in 2015 bezoek kreeg van de inspecteur voor een boekenonderzoek. De conclusie luidde dat de onderneming kosten had afgetrokken van de winst zonder dat daar bonnetjes van waren. Ook had de bv het zakelijke karakter van sommige gemengde kosten niet voldoende aangetoond. De inspecteur turfde uiteindelijk 26 kostenposten die onterecht waren afgetrokken. De bv had dus te weinig vennootschapsbelasting (VPB) afgedragen en kreeg daarvoor navorderingsaanslagen en vergrijpboetes aan de broek.

Te weinig bewijs voor zakelijke kosten

Na wat correspondentie over en weer waren er voor de rechtbank nog 14 aftrekposten over waar de inspecteur en de bv over van mening verschilden. De rechtbank liep ze allemaal na en kwam overal tot de conclusie dat er inderdaad te weinig bewijs was dat de kosten zakelijk waren. Zo waren er onder meer kosten voor schilderwerk aan het huis van de dga van de bv. Om die kosten te mogen aftrekken, moet er in het huis sprake zijn van een ‘zelfstandige werkruimte’, en dat was niet voldoende aangetoond.
Omdat het bewijs te mager was, oordeelde de rechtbank dus dat de navorderingsaanslagen terecht waren opgelegd.

Rechter acht opzet bv niet bewezen

Maar voor de vergrijpboetes was het een ander verhaal. De bewijslast dat die boetes terecht waren opgelegd, lag volledig bij de inspecteur. Die moest onderbouwen dat de kosten die de bv had opgevoerd volledig niet-aftrekbare kosten waren. En bovendien moest de inspecteur aantonen dat de bv opzettelijk te weinig belasting had afgedragen. Ofwel: dat de bv zich bewust was van de fouten en ook bewust had besloten om die fouten niet te herstellen.Daarvoor had de inspecteur te weinig bewijs op tafel gelegd. De rechtbank achtte de gang van zaken weliswaar ‘bijzonder slordig’, maar opzet van de bv was niet bewezen.
Al met al hoefde de bv de vergrijpboetes niet te betalen. Maar de navorderingsaanslagen bleven dus wél in stand.
Rechtbank Noord-Nederland, 23 november 2017 (gepubliceerd 25 juni 2018), ECLI (verkort): 4604