De zzp’er: ondernemer of schijnzelfstandige?

Het kabinet maakt zich zorgen over de snelle stijging van het aantal zzp’ers in Nederland. Waar komt die groei vandaan? En wat weten we over deze gevarieerde groep?

Het is de timmerman en de ICT-consultant. De managementcoach en de maaltijdbezorger. De kunstenaar en de kapper. In weinig Europese landen groeit het aandeel zzp’ers zo hard als in Nederland. Zo’n 12 procent van alle werkenden is zelfstandige zonder personeel. Er zijn al meer dan een miljoen zzp’ers, tegenover 330.000 in 1996.

Het kabinet-Rutte III is bezorgd over die snelle groei en werkt aan nieuwe regels om ‘schijnzelfstandigheid’ tegen te gaan. Maar waar komt die snelle stijging van zzp’ers in Nederland vandaan? En wat weten we eigenlijk over deze gevarieerde groep?

In politieke discussies worden meestal twee redenen genoemd voor de snelle opkomst van de zzp’ers in Nederland. Vakbonden en economisch linkse partijen zeggen: het is hier extreem goedkoop voor bedrijven om zzp’ers in te huren – logisch dat het dan zo populair wordt. De werkgeverslobby en rechtse partijen wijzen juist naar het ‘onaantrekkelijke’ vaste contract. Bedrijven wíllen mensen wel in dienst nemen, zeggen zij, maar ze zijn daar voorzichtig mee omdat vast personeel te veel bescherming krijgt: ontslag is moeilijk en zieke werknemers moeten twee jaar lang doorbetaald worden.

Zzp’ers zijn goedkoop

Het Centraal Planbureau noemt nog een hele andere, ‘onpolitieke’ oorzaak. Een van de belangrijkste redenen van de snelle groei van het aantal zzp’ers sinds 1996 is de vergrijzing. Dat zit zo: in elke leeftijdsgroep zijn er meer mensen die beginnen als zzp’er dan die ermee stoppen. Dus hoe ouder de bevolking wordt, hoe meer zzp’ers er zijn.

Ook in andere westerse landen groeit het aantal zzp’ers door de vergrijzing. In Nederland wordt dat effect nog versterkt: het is hier voor oudere werklozen moeilijker een baan in loondienst te vinden, omdat zij relatief duur zijn voor werkgevers. In landen als Denenmarken en Zweden stijgen lonen minder mee met de leeftijd.

Toch hebben de vakbonden een punt. Het is voor bedrijven veel goedkoper om zzp’ers in te huren, berekende een ambtelijke werkgroep in 2015 in het rapport IBO Zelfstandigen zonder personeel. Ze vergeleken een zzp’er en een werknemer die allebei hetzelfde, modale, netto-inkomen overhouden. De werkgroep wilde weten: hoeveel extra kosten komen daar bovenop voor een bedrijf?

Voor de werknemers 84 procent, zo bleek. Dat gaat naar inkomstenbelasting en werkgeverspremies voor pensioen, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en zorgverzekeringen.

Voor een zzp’er zijn die extra kosten half zo klein: 41 procent. En dan gaat het nog om iemand die inkomstenbelasting betaalt én geld reserveert voor pensioen en een arbeidsongeschiktheidsverzekering en dat doorberekent aan zijn opdrachtgever. Zzp’ers die dat niet doen, zijn nóg goedkoper.

Een andere reden dat zzp’ers zo goedkoop zijn, is dat zij de afgelopen twintig jaar steeds meer belastingvoordelen kregen, zoals de zelfstandigenaftrek (verruimd in 2005) en de mkb-winstvrijstelling (ingevoerd in 2007). Sommige zelfstandigen gebruiken die voordelen om hun uurtarief laag te houden.

Lees ook: Een minimumtarief voor zzp’ers, werkt dat wel?

Geen baas boven zich

Wat de werkgeverslobby zegt, is óók waar. Veel bedrijven zijn terughoudend met het aannemen van vast personeel. Ook dat verklaart waarom in Nederland zoveel zzp’ers worden ingehuurd.

Er zijn weinig westerse landen die zo’n sterke ontslagbescherming hebben als Nederland. En daarom zien bedrijven een dienstverband als een risico. Wie een werknemer wil ontslaan, moet een stevig dossier tegen hem hebben opgebouwd en een flinke ontslagvergoeding meegeven.

Een land met een sterke ontslagbescherming heeft doorgaans ook meer zzp’ers, volgens internationaal onderzoek.

Maar is het eigenlijk erg dat Nederland zoveel zzp’ers heeft? Veruit de meeste zzp’ers ervaren dat zelf in ieder geval niet als een probleem, blijkt uit enquêtes. Ze hebben bewust voor het zelfstandig ondernemerschap gekozen en voelen zich vrij en flexibel, omdat ze eigen baas zijn. Bijna 81 procent van de zzp’ers is tevreden met zijn werk, tegenover 78 procent van de werknemers met een vast contract. De meesten werkten eerder in loondienst en begonnen voor zichzelf om hun eigen werktijden te kunnen bepalen en omdat ze geen zin meer hadden in een baas boven zich. Veel zzp’ers hebben een goed inkomen.

Maar de kwetsbare zzp’ers die weinig geld verdienen, hebben ook meteen véél minder inkomsten dan de slechtstverdienende werknemers. Dat zie je bijvoorbeeld als je kijkt naar het inkomen van de 10 procent slechtst verdienende zzp’ers en dat vergelijkt met de 10 procent slechtst verdienende werknemers in loondienst. Bij zzp’ers is dat 3.300 euro per jaar en bij de werknemers 16.000 euro. Beide bedragen gaan over hun héle inkomen, inclusief eventuele extra verdiensten.

De zzp’ers met de laagste inkomens werken onder andere in de kunst- en cultuursector, recreatie, horeca en handel.

Sommige zelfstandigen die zo weinig verdienen kunnen terugvallen op de inkomsten van hun partner, maar lang niet allemaal. Want ook de ‘huishoudinkomens’ van de slechtst verdienende zzp’ers – waar het inkomen van een partner wordt meegerekend – zijn fors lager dan die van vergelijkbare werknemers.

Voor deze zelfstandigen is er niet zoiets als een minimumloon. Op zich logisch: het zijn ondernemers, dus ze mogen zelf bepalen hoeveel geld ze vragen voor hun werk. Maar voor zzp’ers aan de onderkant van de arbeidsmarkt gaat dat niet op. Zij kunnen hun tarief helemaal niet zelf bepalen, dat doet hun opdrachtgever. Een kwestie van vraag en aanbod: hun werkzaamheden zijn niet uniek genoeg en daarom hebben ze een slechte onderhandelingspositie.

Als ik één ding heb geleerd in mijn tijd bij de vakbond, is het dat financiële prikkels doorslaggevend zijn voor werkgevers

Meer armoede

Hoe groot deze groep van kwetsbare zzp’ers is, kun je op verschillende manieren meten. Bijvoorbeeld met armoedecijfers. Bijna 12 procent van alle zelfstandig ondernemers (met én zonder personeel) leeft in armoede, volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau. Dat zijn 153.000 mensen. Van de werknemers in loondienst is dat maar 3 procent. Met ‘armoede’ bedoelt het planbureau dat er niet genoeg geld is voor basisbehoeftes en „minimale kosten” voor ontspanning en participatie, zoals een korte vakantie of lidmaatschap van een sport- of hobbyclub.

Een andere manier om te bepalen hoeveel kwetsbare zzp’ers er zijn, is door te kijken naar de hoeveelheid ‘schijnzelfstandigen’: zzp’ers die eigenlijk helemaal geen ondernemer zijn. Bijvoorbeeld omdat ze maar één opdrachtgever hebben en niet vrij zijn in hun bedrijfsvoering. Volgens onderzoek van Oeso, de club van rijke landen, voldoet zo’n 15 procent van de Nederlandse zzp’ers aan de kenmerken van een schijnzelfstandige.

‘Flexwerk moet duurder’

Het kabinet hoopt die kwetsbare groep te verkleinen door tóch een soort minimumloon in te voeren voor zzp’ers. Het minimale uurtarief zal rond de 15 tot 18 euro komen te liggen, staat in het regeerakkoord. Wie minder verdient, wordt door de Belastingdienst automatisch als werknemer gezien. Dat betekent dat de inhuurder alsnog alle werkgeverspremies moet betalen en de werkende geen recht heeft op de belastingvoordelen voor zzp’ers. Het kabinet hoopt die regels in 2020 te kunnen invoeren.

Volgens vakbonden is dat lang niet genoeg om de problemen op te lossen. Al op de dag van de publicatie van het regeerakkoord, in oktober, zei CNV-voorzitter Maurice Limmen dat er wat hem betreft maar één oplossing is: flexwerk, maar ook zzp’ers, moeten duurder worden voor bedrijven. „Als ik één ding heb geleerd in mijn tijd bij de vakbond, is het dat financiële prikkels doorslaggevend zijn voor werkgevers.”

Merle Oude Lashof (24), zelfstandig kapper

„Dat ik kapper wilde worden wist ik al van jongs af aan. Maar eenmaal in de kapsalon, waar ik dag in dag uit haren stond te knippen, verveelde ik me toch al snel. Ik wilde méér uit mijn vak kunnen halen.

„In mijn eerste jaar als zzp’er dacht ik weleens: waar ben ik aan begonnen. Zo veel kappers zijn er hier in Rossum gelukkig niet, maar ik moest natuurlijk helemaal opnieuw vaste klanten werven. Dat was wel even bikkelen.

„Uiteindelijk is het gelukt me te onderscheiden met bruidskapsels en visagie en heb ik mijn eigen salon naast het huis van mijn ouders. In een dorp vinden mensen het fijn als ze in één keer klaar zijn: haar, make-up, en ik maak nu ook foto’s.

„Het resultaat van die metamorfoses postte ik telkens op Facebook en Instagram, zodat ik meer naamsbekendheid kreeg. Dat werkte echt heel goed, ik verdien nu meer dan ik in de kapsalon verdiende.

„Ik ben blij dat ik deze stap genomen heb. Ik ben vrijer in mijn werk en in de cursussen die ik erbij volg. Al werd ik aan het begin wel gek van klanten die ‘s avonds nog belden. Nu heb ik een werktelefoon, die ik om zes uur in een jaszak stop.”

Jaap van Muijen (57), zelfstandig hoogleraar psychologie

„Vijf jaar geleden ben ik volledig als zelfstandige gaan werken. Ik werkte tot die tijd in allerlei leidinggevende adviesfuncties, totdat dat me na twintig jaar ging tegenstaan. Ik was vooral het ‘mensengedoe’ zo zat. Ik wilde dingen aanpakken, zonder veel tijd te besteden aan onnodig gezeur.

„Mijn leerstoel bij de Universiteit Nyenrode kon ik behouden. Daarnaast ben ik organisatieadviseur, ik coach, doceer op verschillende universiteiten en ik doe onderzoek.

„Wat ik leuk vind aan het zelfstandig ondernemerschap is dat ik met mijn hobby geld verdien. Ik maak eigen keuzes, en als iets een keer mislukt heb ik dat alleen aan mijzelf te wijten.

„Omdat ik in 2007 in de directie van een adviesbureau zat, had ik de marktprijzen voor hoogleraren al langs zien komen. Daar heb ik mijn eigen tarieven op gebaseerd. Bij lezingen maak ik een afweging: vind ik het maatschappelijk relevant, dan vraag ik een relatief bescheiden tarief. Vind ik het minder leuk, dan vraag ik meer. En dan nog verbaas ik me weleens over wat ik dan ontvang.

Al doe ik nooit meer iets wat ik echt niet leuk vind. Dat is een regel. Al krijg ik een miljoen.”

Paméla Menzo (42), zelfstandig actrice en productieleider

„Ik ben actrice, ik kom van de theaterschool. Maar inmiddels heb ik ook mijn eigen theatergezelschap, ben ik productieleider en programmeur.

„Die combinatie is ontstaan uit noodzaak. Van mijn negentiende tot mijn eenendertigste acteerde ik fulltime, maar toen ging de markt op slot. De culturele sector werd vrij rigoureus de nek omgedraaid – veel werkplekken verdwenen en door het toegenomen aanbod van werkzoekende acteurs daalden de uurtarieven flink.

„Als productieleider bleek ik gemakkelijk aan de bak te komen. Er waren maar weinig mensen die én de toneelwereld goed kenden én in staat waren mensen aan te sturen. Ik had het allebei, ik ken de toneelvloer op mijn duimpje. Dus werd ik telkens teruggevraagd.

„Waar ik me eerst wel eens een faler voelde, ben ik nu heel gelukkig als zzp’er. Ik heb meer vrijheid en beweeg me in verschillende werelden, waarin altijd iets nieuws kan gebeuren.

„Nee, ik zal nooit een duur huis kopen. Maar ik ben voor mijn werk wél overal geweest. Dat is ook te gek. En die vrijheid is onbetaalbaar.”

Bron: nrc