Hoge Raad beschermt pensioen failliete dga

Directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) die te maken krijgen met een faillissement kunnen hun pensioenverzekering mogelijk uit handen van de curator houden. Die conclusie valt te trekken op basis van een recent arrest van de Hoge Raad.

In deze zaak ging het om een man die persoonlijk failliet werd verklaard. De rechtbank gaf de curator toestemming om de levensverzekering van de man deels af te laten kopen. Maar dan op zo’n manier dat hij vanaf de AOW-leeftijd nog maandelijks € 800 bruto zou blijven ontvangen uit de verzekering.
De man ging in cassatie tegen die beslissing van de rechtbank. Voor het rechtscollege ging het over de vraag of er niet een wettelijk afkoopverbod zou gelden voor deze levensverzekering, die bedoeld was als pensioenvoorziening. Zo’n verbod geldt namelijk voor pensioenaanspraken van werknemers en ook voor lijfrentes. Maar in principe niet voor deze levensverzekering, omdat de onderneming van de man de premies betaalde en niet hijzelf.

Vraag is of oudedagsvoorziening voldoet aan fiscale regels

De Hoge Raad overwoog dat de Nederlandse belastingregels erop gericht zijn dat mensen fiscaal voordelig een goede oudedagsvoorziening kunnen opbouwen. Voor de wettelijke bescherming van die voorziening zou het niet uit moeten maken wie de premies ervoor heeft betaald. Het afkoopverbod moet gelden als de oudedagsvoorziening aan de fiscale spelregels voldoet, aldus de Hoge Raad. Dat was hier het geval. De zaak is nu verwezen naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.
Het arrest van de Hoge Raad biedt waarschijnlijk ook perspectieven voor dga’s. Reguliere werknemers hebben namelijk een wettelijk afkoopverbod op grond van de Pensioenwet. Bij een eventueel faillissement mag een curator daar dus niet aankomen. Maar hoewel dga’s in principe ook werknemer zijn van hun eigen bv, geldt deze bescherming niet voor hen. Nu lijkt het arrest van de Hoge Raad toch een veiligheidsklep te bieden, mits een oudedagsvoorziening voldoet aan de fiscale spelregels.
Hoge Raad, 6 oktober 2017, ECLI (verkort): 2564