Wet DBA: een gezagsverhouding volgens de fiscus

De nieuwe Wet DBA vervangt sinds 1 mei 2016 de Verklaring arbeidsrelatie (VAR). Er bestaat veel discussie over de vraag: hoe beoordeelt de Belastingdienst of er sprake is van een dienstverband? In dit artikel lees je hoe de fiscus omspringt met het gezagscriterium.

De afgelopen maanden ontstond er veel onduidelijkheid rondom de Wet DBA. Opdrachtgevers vrezen terecht of onterecht dat hun verhouding met opdrachtnemers in de toekomst wordt beoordeeld als dienstverband. Werkgevers die twijfelen over hun relatie met freelancers, kunnen een modelovereenkomst voorleggen aan de Belastingdienst. Die gebruikt de criteria loon, persoonlijke arbeid en arbeidsverhouding om deze overeenkomsten te beoordelen. Dat klinkt simpel, maar de manier waarop deze criteria worden gehanteerd blijft onduidelijk.

Instructie of aanwijzing?

Een belangrijke vraag waarop HR de komende maanden een antwoord moet formuleren is: is er sprake van gezagsverhouding tussen mij als opdrachtgever en de zzp’ers die ik inhuur? Om werkgevers hierbij te helpen publiceerde de Belastingdienst in maart de Handreiking beoordelingskader overeenkomsten arbeidsrelaties. De fiscus schrijft hierin onder meer: ‘Voor de aanwezigheid van een gezagsverhouding is van belang of de opdrachtgever bevoegd is om aanwijzingen en instructies te geven aan de opdrachtnemer, waarbij de opdrachtnemer verplicht is deze te volgen’ en ‘In zijn algemeenheid is wel aan te geven dat als het instructierecht van de opdrachtgever en de feitelijk verstrekte opdrachten en instructies aan de opdrachtnemer, slechts een nadere bepaling van de verlangde prestaties inhouden, geen sprake is van een ‘gezagsverhouding’, zoals kenmerkend voor de arbeidsovereenkomst’ (p.4).
Dit komt in het kort op neer dat een opdrachtnemer zelfstandig en naar eigen inzicht zijn opdracht moet kunnen uitvoeren, zonder toezicht van de opdrachtgever. Opdrachtgevers mogen wel in algemene zin aangeven welk resultaat zij verwachten van de opdrachtnemer, maar geen strikte instructies geven over de uitvoering. Dit is een grijs gebied, want het is als opdrachtgever wel toegestaan om aanwijzingen te geven over hoe het gewenste resultaat kan worden bereikt (art. 7:402 lid 1 BW). Zo mag een opdrachtgever van een verhuizer wel aangeven dat een kwetsbaar meubelstuk niet extra ingepakt hoeft te worden, schrijft de Belastingdienst in zijn handreiking.
De fiscus benadrukt dat er bij de beoordeling van de werkrelatie veel verschillende factoren worden meegenomen en ze daardoor niet kunnen aangeven welke ‘feitelijke situaties’ leiden tot de conclusie dat er sprake is van een dienstverband.

Uitsluiten of beperken van instructierecht

Om te voorkomen dat de fiscus oordeelt dat er sprake is van een gezagsverhouding is het van belang om in de freelance overeenkomst vast te leggen dat het geven van aanwijzingen en instructies wordt beperkt of volledig wordt uitgesloten. Veel werkgevers zullen kiezen voor de eerste optie, omdat het volledig uitsluiten van aanwijzingen/instructies in de praktijk niet werkbaar is. Bij de beoordeling van de gezagsrelatie kijkt de Belastingdienst naar de instructies over de werkinhoud (materieel gezag) en naar andere aspecten zoals werktijden en werklocatie (formeel gezag).

Om dit vast te leggen kan je gebruiken maken van de algemene modelovereenkomst ‘geen werkgeversgezag’, opgesteld door de Belastingdienst. Hierin staan de artikelen die van belang zijn om te bepalen of er sprake is van een dienstverband geel gemarkeerd. De overige artikelen kan je aanpassen aan de hand van je eigen, bedrijfsspecifieke situatie.

Bron: P&O actueel