WKR: Personeelskorting en gebruikelijkheidscriterium

Na invoering van de  werkkostenregeling (WKR) mag je als  werkgever de werknemers personeelskorting blijven geven. Deze korting hoeft niet in de vrije ruimte opgenomen te worden. Er geldt namelijk een gerichte vrijstelling voor. Er zijn wel voorwaarden verbonden aan de personeelskorting.
Deze korting mag niet meer bedragen dan 20% van de waarde van de producten in het economische verkeer met een maximum per werknemer van€ 500 korting per jaar.
Onder de WKR mag de ongebruikte korting van voorgaande jaren niet meer meegenomen naar volgend jaar. Als het jaar voorbij is, vervalt niet-gebruikte korting.

Tot 1-1-2016 was het nog de omvang van de vergoeding of verstrekking die gebruikelijk moest zijn.
Nu draait het om de gebruikelijkheid van het in de werkkostenregeling stoppen van de vergoeding of verstrekking op zich. Is deze op zich al ongebruikelijk dan zal het aanwijzen ervan als eindheffingsbestanddeel dat ook zijn.
De gebruikelijkheidstoets houdt in dat de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen die de werkgever aanwijst als eindheffingsloon, niet meer dan 30% mogen afwijken van wat in vergelijkbare omstandigheden gebruikelijk is. Per 2016 geldt bovendien dat het aanwijzen van de vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling van een bepaalde omvang gebruikelijk moet zijn.

Bij de toets of aan het gebruikelijkheidscriterium is voldaan, spelen de volgende factoren een rol:

  • aard van de vergoeding of verstrekking?
  • omvang of waarde van de vergoeding of verstrekking?
  • hoe werd de vergoeding of verstrekking vóór de WKR in de organisatie behandeld?
  • krijgen collega’s de vergoeding of verstrekking ook?
  • krijgen vergelijkbare werknemers bij een andere werkgever de vergoeding of verstrekking ook?

Bron: Actuele artikelen