Hoofdpunten Belastingplan 2015 op een rij

Medio september heeft het kabinet het Belastingplan 2015 bij de Tweede Kamer ingediend. Daarnaast is het wetsvoorstel Wet modernisering VPB-plicht overheidsondernemingen naar de Tweede Kamer gestuurd. De Tweede Kamer heeft ook de brief met keuzes voor een beter belastingstelsel (reactie op Commissie Van Dijkhuizen) ontvangen.

De redactie van TaxLive heeft per wetsvoorstel/brief de hoofdlijnen in kaart gebracht. Hieronder de belangrijkste punten uit het Belastingplan 2015, de Wet modernisering VPB-plicht overheidsondernemingen en de Keuzes voor een beter belastingstelsel (reactie op Commissie Van Dijkhuizen)

 

I.                   Belastingplan 2015

 

  • Inkomstenbelasting
  • Tarief inkomstenbelasting 2015 box 1

 

Belastbaar inkomen meer dan

Maar niet meer dan

Belastingtarief

Tarief premie volksverzekeringen

Totaal tarief

Heffing over totaal van de schijven

Jonger dan AOW-leeftijd:

€ 19.822

€ 33.589

€ 57.585

 

 

€ 19.822

€ 33.589

€ 57.585

 

 

8,35%

13,85%

42 %

52 %

 

 

28,15%

28,15%

 

 

 

36,50%

42%

42 %

52 %

 

 

€  7234

€ 13.015

€ 23.093

 

Ouder dan AOW-leeftijd maar geboren vanaf 1 januari 1946:

€ 19.822

€ 33.589

€ 57.585

 

 

 

 

 

 

€ 19.822

€ 33.589

€ 57.585

 

 

 

 

 

 

8,35%

13,85%

42 %

52 %

 

 

 

 

 

 

10,25%

10,25%

 

 

 

 

 

 

18,60%

24,1%

42 %

52 %

 

 

 

 

 

 

  • 3686

€ 7003

€ 17.081

Ouder dan AOW-leeftijd maar geboren voor 1 januari 1946:

 –

€ 19.822

€ 33.857

€ 57.585

 

 

 

 

 

 

€ 19.822

€ 33.857

€ 57.585

 

 

 

 

 

 

8,35%

13,85%

42 %

52 %

 

 

 

 

 

 

10,25%

10,25%

 

 

 

 

 

 

18,60%

24,10%

42 %

52 %

 

 

 

 

 

 

€ 3686

€ 7067

€ 17.032

 

  • Heffingskortingen
  • De algemene heffingskorting wordt € 2203 (2014: € 2103). Voor AOW-ers: € 1123 (2014: € 1065). De arbeidskorting wordt maximaal € 2220 (2014: € 2097). De aanvullende combinatiekorting wordt € 1034 (2014: € 1024). De inkomensafhankelijke aanvullende combinatiekorting wordt € 1119 (2014: € 1109). De alleenstaande-ouderkorting wordt € 0 (2014: € 947). De ouderenkorting wordt € 1042 (2014: € 1032). De ouderenkorting boven de inkomensgrens is voor 2014 € 152 (2014: € 150). Met ingang van 2016 wordt de ouderenkorting verlaagd. De alleenstaande ouderenkorting wordt € 433 (2014: € 429).

  • De aftrek van buitenlandse geldboeten wordt uitgesloten.

  • De maximale periode voor de aftrek van rente op restschulden wordt verlengd van tien naar vijftien jaar.

  • De verlenging van de termijn van de renteaftrek voor de leegstaande te koop staande voormalige of een leegstaande toekomstige eigen woning, en de regeling herleving van de hypotheekrenteaftrek na verhuur van een voormalige eigen woning, worden structureel gemaakt.

  • De ouderentoeslag in box 3 wordt met ingang van 2016 afgeschaft.

  • Bij (gedeeltelijke) afkoop van de nettolijfrente wordt alsnog een bedrag in box 3 in aanmerking genomen. Dit is een forfaitaire benadering van het genoten box 3-voordeel, waarbij een tegenbewijsregeling geldt.

  • Er komt een afzonderlijke box 3-vrijstelling voor nettopensioen. Hierbij is aangesloten bij de regels van de Wet LB 1964. De sanctiebepaling bij onregelmatige handelingen gaat ook gelden voor het nettopensioen.

  • Zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) kunnen een derdepijlerpensioen eerder opnemen om te voorzien in inkomen bij arbeidsongeschiktheid zonder dat revisierente is verschuldigd.

  • De per 1 januari 2015 in werking tredende regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen wordt aangepast. Er wordt per 1 januari 2016 ook een wijziging aangebracht in de heffingskorting voor de IB. Deze wordt tijdsevenredig toegekend voor de periode waarin de belastingplichtige binnenlandse of kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is. Voor 2015 geldt overgangsrecht.

Loonbelasting

  • Tarief/heffingskortingen: Voor het in 2015 geldende tarief en de in de loonbelasting geldende heffingskortingen, wordt verwezen naar het onderdeel inkomstenbelasting.
  • De gebruikelijkloonregeling wordt aangepast. Er wordt een begrip “meest vergelijkbare dienstbetrekking” geïntroduceerd. De regel dat het loon minimaal gesteld wordt op het hoogste loon van de overige werknemers, wordt aangepast. De doelmatigheidsmarge van 30% van de gebruikelijkloonregeling wordt verlaagd naar 25%. Voor 2015 geldt overgangsrecht.
  • Deelnemers aan de levensloopregeling die in 2013 geen gebruik maakten van de 80%-regeling krijgen in 2015 een nieuwe mogelijkheid hiervan gebruik te maken.
  • Er wordt onderzocht of de RDA met de S&O-afdrachtvermindering kan worden samengevoegd tot één geïntegreerde regeling in de sfeer van de loonheffing.
  • De werkkostenregeling wordt met ingang van 1 januari 2015 verplicht. De vrije ruimte wordt verlaagd van 1,5% naar 1,2%. Er wordt een beperkt noodzakelijkheidscriterium geïntroduceerd voor gereedschappen, computers, mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur. Er komt een jaarlijkse afrekensystematiek en ook een concernregeling. Er gaat een gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten gelden. Daarnaast wordt het onderscheid tussen vergoedingen en verstrekkingen (inclusief terbeschikkingstellingen) weggenomen.
  • Buitenlandse boeten kunnen niet als eindheffingsbestanddeel worden aangewezen.

Vennootschapsbelasting en dividendbelasting

  • De aftrek van buitenlandse geldboeten wordt uitgesloten.
  • Hybride kapitaalinstrumenten (tier 1 –kapitaalinstrumenten) die worden uitgegeven door verzekeraars worden behandeld als vreemd vermogen.
  • De dividendbelasting wordt onder de regeling belastingrente gebracht.

Omzetbelasting

  • Het lage btw-tarief voor renovatie en herstel van woningen wordt verlengd tot 1 juli 2015.
  • In de btw-vrijstelling voor het verplegen en verzorgen van in ziekenhuizen en andere verpleeg- en verzorgingsinstellingen opgenomen personen vervalt de voorwaarde dat geen winst mag worden beoogd.
  • De tenaamstellingsverplichting voor de omzetbelasting in het kader van de eenbankrekeningmaatregel vervalt.

Autobelastingen

  • De mogelijkheid tot gebruik van een taxatierapport voor de waardebepaling wordt beperkt tot schadevoertuigen, met uitsluiting van zogenoemde WOK-auto’s en voertuigen die niet op koerslijsten voorkomen.
  • Bestaande onduidelijkheden in de definitie van bepaalde motorrijtuigen voor de BPM en MRB worden per 1 januari 2016 weggenomen. Een motorrijtuig met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg kwalificeert slechts als niet te zijn ingericht voor het vervoer van personen indien de lengte van de niet voor personenvervoer ingerichte ruimte groter is dan of gelijk is aan de lengte van de voor personenvervoer ingerichte ruimte.

Invordering en toeslagen

  • In de Invorderingswet wordt de informatieverplichting voor banken geregeld in het kader van de eenbankrekeningnummermaatregel. Verder wordt de bevoegdheid tot intern gebruik van burgerservicenummers door banken geregeld.
  • De bevoegdheid tot versnelde invordering wordt ook aan de Belastingdienst/Toeslagen toegekend als het gaat om de inning van een bedrag van een terugvordering van een toeslag, de daarbij verschuldigde rente of het bedrag van een bestuurlijke boete in de toeslagensfeer.
  • De binnentredingsbevoegdheid wordt ook toegekend aan toezichthouders voor toeslagen.
  • De regeling invorderingsrente wordt uitgebreid voor de gevallen waarin de belastingschuldige een recht krijgt op een terug te geven bedrag aan belasting vanwege het feit dat in de betreffende situatie heffing (en innning) van die belasting strijdig is met het Unierecht. 
  • Het afbouwpercentage in het kindgebonden budget wordt verlaagd van 7,6% naar 6,75%.

Milieuheffingen

  • In de belasting op leidingwater wordt met terugwerkende kracht tot 1 juli 2014 afgezien van de degressieve tarievenstructuur en het heffingsplafond van 300 m3  gehandhaafd.
  • Er wordt een afvalstoffenbelasting geheven bij zowel de afvalverbrandingsinrichtingen als de stortinrichtingen. Het tarief zal € 13,00 per ton bedragen.
  • Het tarief van de energiebelasting op aardgas en op elektriciteit in de tweede en derde schijf wordt verhoogd. De verhoging van de tweede schijf op aardgas geldt niet voor het verlaagde energiebelastingtarief voor de glastuinbouw.
  • In de energiebelasting wordt in bepaalde situaties waarbij anders dan via een aansluiting op het netwerk energie wordt geleverd, de leverancier belastingplichtig.
  • In de energiebelasting wordt het verlaagd tarief voor lokaal duurzaam opgewekte energie uitgebreid naar ondernemers. De vrijstelling zelfopwekking wordt uitgebreid naar de huursector. De vaste belastingvermindering voor WOZ-objecten met verblijfsfunctie wordt verlaagd. De belastingvermindering voor WOZ-objecten zonder verblijfsfunctie wordt afgeschaft.

 

 

 

II.                Wet modernisering VPB-plicht overheidsondernemingen

 

 

Belastingplicht

Bij overheidsondernemingen wordt het uitgangspunt ‘niet belastingplichtig, tenzij’ vervangen door ‘belastingplichtig, tenzij’, waarbij de ‘tenzij’ is vormgegeven door het opnemen van verschillende vrijstellingen.

 

Als belastingplichtige wordt aangemerkt de in Nederland gevestigde publiekrechtelijke rechtspersonen, niet zijnde de Staat, voor zover zij een onderneming drijven.

 

Zowel de ondernemingen binnen één publiekrechtelijke rechtspersoon alsook de ondernemingen binnen één stichting of vereniging worden op basis van dit wetsvoorstel geacht tezamen één onderneming te vormen. Een publiekrechtelijke rechtspersoon dient, net als een stichting en vereniging, één aangifte in.

 

Voor de ondernemingen gedreven door de Staat is een aparte bepaling opgenomen. Ingevolge deze bepaling is niet de Staat, maar worden de door de Staat gedreven ondernemingen belastingplichtig. Uit praktische overwegingen worden alle ondernemingen gedreven door de Staat die behoren tot hetzelfde ministerie geacht tezamen één onderneming te vormen. Deze onderneming vormt daarmee het belastingplichtige lichaam.

 

Vrijstellingen

Voor zowel directe als indirecte overheidsondernemingen gaat  een aantal algemene

vrijstellingen gelden alsmede enige specifieke.

 

Algemene vrijstellingen

1.Vrijstelling interne activiteiten

Deze vrijstelling, voor directe overheidsondernemingen, geldt als een onderdeel van een publiekrechtelijke rechtspersoon naast de interne activiteiten ook activiteiten aan derden verricht.

2. Vrijstelling uitoefening overheidstaken of publiekrechtelijke bevoegdheden

Deze vrijstelling is alleen van belang voor indirecte overheidsondernemingen, en vindt geen toepassing als met de uitoefening van een overheidstaak of publiekrechtelijke bevoegdheid in concurrentie wordt getreden met private partijen.

3. Vrijstelling voor ‘quasi-inbesteding’

 Van ‘quasi-inbesteding’ is sprake als een publiekrechtelijke rechtspersoon een activiteit niet aan de markt uitbesteedt, maar in wezen nog steeds zelf doet, zij het in een afzonderlijk privaatrechtelijk lichaam.

4. Vrijstelling samenwerkingsverbanden tussen publiekrechtelijke rechtspersonen en/of

privaatrechtelijke overheidslichamen.

Deze vrijstelling is van toepassing als aan drie cumulatief geldende voorwaarden is voldaan.

 

Specifieke vrijstellingen

1. Academische ziekenhuizen

Indien de werkzaamheden van een belastingplichtige uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (voor 90% of meer) bestaan uit het verrichten van werkzaamheden als academisch ziekenhuis is van rechtswege een subjectvrijstelling van toepassing. Is dat niet het geval, dan is van rechtswege een objectvrijstelling van toepassing.

2. Bekostigd onderwijs en onderzoek

Deze vrijstelling is van rechtswege van toepassing als de activiteiten van de belastingplichtige

uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (voor 90% of meer) bestaan uit bekostigde onderwijs- of

onderzoeksactiviteiten.  Zo niet, dan wordt het resultaat uit die onderwijs- en onderzoeksactiviteiten van rechtswege vrijgesteld. Dit betreft een objectvrijstelling.

3. Zeehavenbeheerders

Ten slotte wordt in dit wetsvoorstel voorzien in een tijdelijke vrijstelling voor vijf met naam

genoemde indirecte overheidsondernemingen en één met naam genoemde directe

overheidsonderneming.

 

Inwerkingtreding

De wet treedt in werking op 1 januari 2015, en geldt voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2016.

 

 

 

 

III.             Keuzes voor een beter belastingstelsel (reactie op Commissie Van Dijkhuizen)

 

In een brief aan de Tweede Kamer licht de Staatssecretaris van Financiën de ambities toe die het kabinet heeft met een herziening van het belastingstelsel. Hij vindt dat ons belastingstelsel sterk verstorend werkt en dat dat banen en economische groei kost. Het kabinet wil de stelselherziening benutten om werkgelegenheid te bevorderen. Het kabinet heeft de ambitie om 100.000 nieuwe banen te creëren door een lastenverlichting op arbeid van € 15 miljard per jaar. Gaan werken en meer gaan werken moet lonender zijn.

 

De staatssecretaris beseft dat een stelselherziening zonder inkomenseffecten, ook al zijn ze soms maar tijdelijk, niet bestaat. Hij hecht daarom aan een breed draagvlak. De aanpak van het kabinet is gericht op de verwerving daarvan.

 

Het kabinet streeft een stelselherziening na waarin maatregelen in samenhang worden genomen om daarmee het politieke draagvlak te verbreden en koopkrachteffecten te beperken. Het kabinet wil de maatregelen stapsgewijs invoeren.

 

Het kabinet denkt hierbij aan de volgende maatregelen:

1.         Vereenvoudiging van de meest complexe regelingen. Het kabinet denkt hierbij aan de kinderopvangtoeslag, de zorgtoeslag en de autobelastingen. De ambitie blijft het aantal toeslagen op termijn sterk te verminderen. Voor de kinderopvangtoeslag wordt gewerkt aan rechtstreekse bekostiging van instellingen op basis van vastgesteld inkomen van de ouders. Dat zou het aantal ontvangers van deze toeslag met 99% terugbrengen. Het kabinet wil het aantal ontvangers van de zorgtoeslag in 2015 met opnieuw een half miljoen huishoudens verminderen. Wat de autobelastingen betreft mikt het kabinet op een meer massale doorbraak van elektrische en zeer zuinige voertuigen. Verder wil het kabinet ook nog de heffingsgrondslag eenvoudiger (en soms forfaitair) vaststellen, keuzeregimes beëindigen en minder subjecten in de heffing betrekken. Het denkt hierbij ondermeer aan het per 2016 verhogen van de aanslaggrenzen, het gedeeltelijk uit de loonbelasting halen van de dga, het schrappen van de middelingsregeling en het vereenvoudigen van pensioen in eigen beheer.

2.         Borging van toekomstige uitvoering.

3.         Fiscale stimulering van ondernemers door te richten op innovatie en doorgroei.

4.         Spreiding van belastingdruk particulieren over levensloop. Een verschuiving van bestedingsruimte naar de werkende leeftijd kan volgens het kabinet alleen langs de weg van geleidelijkheid over generaties heen. Invoering ineens is hierbij niet goed denkbaar.

5.         Verlaging tarieven door te snoeien in aftrekposten.

6.         Verschuiving van belastingdruk van arbeid en ondernemen naar consumptie.

7.         Verschuiving van belastingdruk van arbeid en ondernemen naar duurzaamheid. Waar dat verantwoord en aantrekkelijk is, is het kabinet bereid zijn groene groeiambities verdergaand fiscaal te ondersteunen, om de daarmee vrijkomende middelen in te zetten voor lagere lasten op arbeid en ondernemen.

8.         Uitbreiding gemeentelijk belastinggebied. Bij de grotere rol die gemeenten na de drie decentralisaties spelen, past meer ruimte om zelf belastingen te heffen.

 

Het kabinet vindt het niet opportuun om de woningmarkt in deze stelselherziening opnieuw met hervormingen te confronteren. Op de pensioenmarkt is het herziene Witteveenkader nog niet eens geïmplementeerd en staat de brede pensioendiscussie voor de deur. Het kabinet vindt ook hier plannenmakerij voorbarig.

 

Naast de wens van het kabinet om het arbeidsaanbod en de arbeidsvraag te vergroten, wenst het kabinet het vestigingsklimaat van Nederland te ondersteunen.

 

Om het gebrek aan begrip onder belastingbetalers met betrekking tot de vermogensrendementsheffing weg te nemen, gaat het kabinet serieus alternatieven hiervoor onderzoeken. Doel is te komen tot een heffing die door belastingbetalers als rechtvaardiger wordt ervaren en die tegelijkertijd goed uitvoerbaar is. Daartoe kan het werkelijk genoten rendement op vermogen in de heffing als uitgangspunt worden genomen, maar ook binnen de forfaitaire benadering wordt gezocht naar vormen die beter aansluiten bij het rechtvaardigheidsgevoel.