Einde pensioen in eigen beheer

Het pensioen in eigen beheer (de pensioenvoorziening van de directeur-grootaandeelhouder [DGA] bij zijn eigen BV) komt steeds vaker in de publiciteit en zeker niet positief. Feit is dat de fiscale aftrekpost ten koste gaat van de schatkist en dat is de staatssecretaris een doorn in het oog. Met allerlei motieven probeert hij de geesten rijp te maken om een einde te maken aan het DGA-pensioen.

Eind vorig jaar heeft de staatssecretaris al een brief aan de Tweede Kamer geschreven en daarin de problemen opgesomd en een drietal oplossingen aangegeven. Recent heeft hij een vervolg op die brief gegeven. Daaruit bleek dat er nogal veel tegenstand bestaat tegen de door hem beschreven meest eenvoudige oplossing: de pensioenreserve. De staatssecretaris geeft nu ook aan het meest te voelen voor die oplossing, maar zal ook nog verder studeren op andere mogelijkheden.

Wat is het probleem? In bijzonder het verschil tussen de lage fiscale en de veel hogere commerciële waardering van de pensioenaanspraken van de DGA. Commercieel heeft een BV daarom minder eigen vermogen dan fiscaal en dat heeft grote gevolgen als men bijvoorbeeld dividend wil uitkeren.

Ook als de DGA gaat scheiden, kan het grote verschil tussen de waarderingen vaak tot problemen leiden. De staatssecretaris geeft in zijn brieven aan dat het grote verschil kan worden weggenomen door voortaan ook fiscaal uit te gaan van de commerciële waardering, maar hij wuift die oplossing meteen weer weg als zijnde te duur voor de schatkist. Bovendien is er dan nog steeds geen ruimte om dividend uit te keren met als gevolg geen dividendbelasting voor de schatkist. Ook de andere mogelijkheid om de pensioenaanspraken zodanig te verminderen (afstempelen) dat de fiscale en commerciële waarderingen gelijk komen te liggen, vindt geen genade bij de staatssecretaris. Hij lijkt vanaf de eerste brief al te neigen naar de variant van de pensioenreserve. Deze reserve zou volgens de staatssecretaris minder gecompliceerd en veel inzichtelijker zijn. Bovendien blijven de geldmiddelen binnen de BV voor het drijven van de onderneming beschikbaar en maakt de reserve geen onderdeel meer uit van de arbeidsovereenkomst van de DGA. De uitkeringen en een mogelijke vrijval vallen dan voortaan ook niet meer in de sfeer van de loonheffing.

Omdat het heel goed mogelijk is dat de staatssecretaris deze variant zal doordrukken volgen onderstaand enkele gedachten hoe de pensioenreserve zou kunnen uitpakken:

– het zal gaan lijken op de fiscale oudedagsreserve, zoals we die kennen bij de ondernemers in de inkomstenbelasting;

– de DGA kan dan kiezen om het pensioen af te storten (in banksparen of bij een verzekeraar) of om een bepaald percentage ten laste van de winst te brengen en dat bedrag op de balans te boeken in een reserve;

– de reserve op de balans wordt niet opgerent en kan alleen toenemen door nieuwe reserveringen uit de winst en afnemen door stortingen in banksparen of bij een verzekeraar;

– de pensioenreserve valt vrij in de te belasten winst van de BV:

– bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd; of

– op het moment waarop door de DGA gestopt wordt met werken; of

– bij overlijden van de DGA; of

– op het moment dat er in de vennootschap geen materiële onderneming meer wordt gedreven.
Tenzij en voor zover op het moment van de vrijval een lijfrente voor een oudedagsvoorziening van de DGA en/of zijn nabestaanden bij een bank of verzekeraar wordt gekocht.

Een ander kenmerk van de pensioenreserve zal zijn dat de reserve alleen kan worden gevormd door de BV (of de fiscale eenheid) waarin de materiële onderneming wordt gedreven.

Bij een vrijval in de winst wordt veelal naast de vennootschapsbelasting ook nog eens 20% revisierente in rekening gebracht over het bedrag van de vrijval.

Hoe het precies in zijn werk zal gaan, is nog niet duidelijk, maar het is zeker dat de huidige pensioenen in eigen beheer kunnen (of moeten?) worden omgezet naar de pensioenreserve. In zijn tweede brief benadrukt de staatssecretaris dat hij overgangsrecht zal treffen om er voor te zorgen dat bestaande pensioenrechten zo soepel mogelijk kunnen worden omgezet. Zodra het zover is, zal fiscaal maatwerk noodzakelijk zijn, tenzij men geen keuze krijgt.

Bron: Belastingdienstpesioen