Toch aftrek voorbelasting ondanks niet volledig juiste factuur

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden besliste onlangs dat een bv, een handelaar in mobiele telefoons, toch recht heeft op aftrek van voorbelasting. Dit ondanks dat de naam van de leverancier onvolledig op de factuur is vermeld.

In het tijdvak augustus 2003 heeft de bv bedragen aan omzetbelasting in aftrek gebracht en om teruggaaf verzocht. Het betreft door een bedrijf aan de bv verrichte leveringen van telefoons. De bv heeft de telefoons doorverkocht en geleverd. De bv beschikt over inkoopfacturen die zijn voorzien van de naam van het bedrijf dat de telefoons leverde. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de facturen niet aan de gestelde eisen voldoen. Daarbij acht hij onder andere van belang dat de facturen de naam van het bedrijf dat de telefoons leverde dragen en dat in het register van de Kamer van Koophandel een onderneming met deze naam niet is aangetroffen maar slechts een onderneming met de naam van het bedrijf dat de telefoons leverde. Het verzoek om teruggaaf wordt afgewezen. De bv komt uiteindelijk in cassatie.

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond. Aan de vereisten van artikel 35, eerste lid, aanhef en letter b, Wet OB 1968 is voldaan indien de ondernemer aan de hand van de op de factuur vermelde naam en het op de factuur vermelde adres kan worden geïdentificeerd en getraceerd. Volgt verwijzing naar Hof Arnhem-Leeuwarden.

Volgens verwijzingshof Arnhem-Leeuwarden laat de onvolledige naam geen ruimte voor misverstand. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het op de factuur vermelde bankrekeningnummer bij de Rabobank, het inschrijvingsnummer bij de Kamer van Koophandel en het btw-identificatienummer op naam van het bedrijf dat de telefoons leverde stonden en die bv bij de Belastingdienst is geregistreerd op het op de factuur vermelde adres. De bv mocht ervan uitgaan dat de op de factuur vermelde naam van het bedrijf dat de telefoons leverde de (handels)naam was van de presterende ondernemer. Verder is het hof het niet met de inspecteur eens dat de bv, in de persoon van haar directeur, wist of had moeten weten dat de levering van de goederen deel uitmaakte van fraude door de verkoper. Het is weliswaar aannemelijk dat de goederen aan de bv zijn geleverd door een verkoper die btw-fraude heeft gepleegd, maar niet dat de bv ten tijde van de leveringen van die fraude wetenschap had of had moeten hebben. De inspecteur had de aftrek van voorbelasting moeten toestaan. Het (incidentele) hoger beroep van de bv is gegrond.