Hoge Raad: Belastingaanslag vernietigd bij te late bekendmaking

Als een belastingaanslag te laat is bekendgemaakt, dan ontvalt daarmee de basis voor die aanslag en moet die aanslag worden vernietigd. De aanslag is dan niet binnen de wettelijk voorgeschreven aanslagtermijn opgelegd. Dit fundamentele oordeel heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 18 april 2014 uitgesproken.

De Hoge Raad vernietigt de aanslag IB/PVV die binnen de driejaarstermijn is vastgesteld in het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst, maar waarvan het bewijs van verzending ontbreekt.

Aan een belastingplichtige wordt met dagtekening 14 oktober 2011 voor het jaar 2008 de definitieve aanslag IB/PVV opgelegd met een verliesvaststellingsbeschikking. De belastingplichtige maakt op 2 januari 2012 bezwaar tegen de definitieve aanslag. Hij stelt daarbij dat hij het aanslagbiljet niet heeft ontvangen binnen de wettelijke driejaarstermijn die eind van het jaar 2011 verstreek. In het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst is geregistreerd dat de aanslagregeling voor 2008 op 15 september 2011 is geëindigd en dat het aanslagbiljet op 22 september 2011 is verzonden. De belastingplichtige bestrijdt dat de aanslag op die datum ter post is bezorgd en stelt dat hem niet eerder dan op 6 februari 2012 een kopie van de aanslag is uitgereikt.

In hoger beroep verklaart Hof Den Haag het bezwaar van de belastingplichtige ongegrond en worden de aanslag en de verliesvaststellingsbeschikking gehandhaafd. De belastingplichtige komt in cassatie.

De Hoge Raad hanteert in gevallen waarin een aanslag na de dagtekening van het aanslagbiljet bekend is gemaakt, in het kader van de aanslagtermijn nu dezelfde maatstaven met betrekking tot de bekendmaking van die aanslag als in het kader van de bezwaartermijn. In gevallen waarin de aanslag niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt doordat sprake is van een aan de Belastingdienst te wijten onjuiste adressering van het aanslagbiljet, aanvaardt de Hoge Raad als gevolg daarvan niet langer dat de aanslagtermijn reeds in acht is genomen indien de belastingplichtige binnen die termijn op de hoogte was van de verzending van het aanslagbiljet. Met de enkele kennisneming van die verzending aan een verkeerd adres is immers niet gewaarborgd dat de belastingplichtige binnen een redelijke termijn zijn belastingafrekening ontvangt.

De Hoge Raad komt in zoverre terug van zijn arrest van 6 december 1989, nr. 25909, BNB 1990/177. Dit geldt eveneens voor de navorderings- en naheffingstermijnen. Het hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat het met dagtekening 14 oktober 2011 opgemaakte aanslagbiljet voor de aanslag niet ter post is bezorgd en dat aan de belastingplichtige niet eerder dan op 6 februari 2012 een kopie van dat aanslagbiljet is uitgereikt. Volgens de Hoge Raad is de aanslag dan niet vastgesteld binnen de in artikel 11, lid 3, AWR voorgeschreven termijn, zodat die aanslag moet worden vernietigd. Daaraan doet niet af dat het aanslagbiljet volgens het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst in de maand september 2011 is opgemaakt. Gevolg is dat ook de voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2008 vernietigd moet worden. Het beroep in cassatie is gegrond.

ECLI:NL:HR:2014:930