Hoge Raad: Griffierecht kan in bijzondere gevallen bij onvermogen worden verminderd

Het verschuldigde griffierecht kan in specifieke omstandigheden worden verlaagd vanwege de financiële  positie van belanghebbende. Dat oordeelde de Hoge Raad vandaag in een belastingzaak die ging over  het griffierecht dat  in een  hoger beroep was verschuldigd voor de indiening van het beroepschrift.

Dit was een bedrag  van € 112. Het hof in Amsterdam besliste (ECLI:NL:GHAMS:2012:BX0724) dat het griffierecht  gelet op de financiële omstandigheden van belanghebbende moest worden verminderd tot een bedrag van € 20. De staatssecretaris van Financiën heeft hiertegen beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Advocaat-generaal IJzerman adviseerde de Hoge Raad in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2013:642) dat beroep ongegrond te verklaren.

De Hoge Raad oordeelt dat de wetgever met het heffen van griffierecht onder meer heeft beoogd dat rechtzoekenden een zorgvuldige afweging maken of het zin heeft om een zaak aan de bestuursrechter voor te leggen. In het algemeen kan volgens de Hoge Raad worden aangenomen dat het heffen van griffierecht de toegang tot de rechter niet in de weg staat. Er kunnen zich echter gevallen voordoen waarin de heffing van griffierecht het voor een rechtszoekende onmogelijk maakt om de rechter te raadplegen. Deze situatie  deed zich volgens de Hoge Raad in de deze zaak voor. De Hoge Raad laat de door het hof toegepaste vermindering van het griffierecht dan ook in stand.