EVRM verbiedt Belastingdienst niet om onderzoek te doen naar naamgenoot zwartspaarder

Rechtbank Den Haag oordeelde onlangs dat de Belastingdienst niet met een beroep op het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) kan weigeren onderzoek te doen naar een persoon die dezelfde combinatie van voor- en achternaam heeft als de belanghebbende die door de fiscus is geïdentificeerd als rekeninghouder van een bankrekening bij KB Lux. 

Belanghebbende stelt gemotiveerd dat de rekening mogelijk toebehoort aan een neef en tante van haar.

De rechtbank overweegt dat de Belastingdienst geen partij is als bedoeld in art. 34 EVRM en om die reden geen beroep kan doen op schending van één van de rechten van het EVRM, ook niet namens een derde (de naamgenoot van belanghebbende) die geen partij is bij de procedure. Dit betekent dat de stukken die belanghebbende heeft overgelegd over haar naamgenoot, namelijk een uitdraai uit de basisadministratie persoonsgegevens en stamboomgegevens, niet buiten beschouwing kunnen blijven als onrechtmatig verkregen bewijs.

Het voorgaande neemt niet weg dat belanghebbende volgens de rechtbank terecht is geïdentificeerd als rekeninghouder. Het is niet aannemelijk dat de rekening toebehoort aan de neef en tante van de echtgenoot van belanghebbende, zo oordeelt de rechtbank onder verwijzing naar een uitspraak van Hof Den Haag die in cassatie in stand is gebleven (HR 12 april 2013, nr. 12/01567, ECLI:NL:2013:BZ6800).

De rechtbank oordeelt ten slotte dat de redelijke termijn van berechting niet is overschreden ondanks de lange duur van de procedure (8 jaar en 11 maanden). Het beroep van belanghebbende is ongegrond.