Jurisprudentie over verlengde navorderingstermijn geldt niet voor binnen reguliere termijn opgelegde navorderingsaanslagen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde onlangs in navolging van de rechtbank dat de jurisprudentie over de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing is nu de navorderingsaanslagen binnen de vijfjaarstermijn opgelegd zijn. 

Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd over de jaren 2003 tot en met 2009 met boeten en beschikkingen heffingsrente. Dit is verband met het aanhouden van een buitenlandse bankrekening bij Van Lanschot.

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden is de jurisprudentie over de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing nu de navorderingsaanslagen binnen de vijfjaarstermijn opgelegd zijn. Verder oordeelt het hof dat een informatiebeschikking niet is vereist wanneer zoals in dit geval reeds voor 1 juli 2011 de bewijslast was omgekeerd. Het hof oordeelt dat de identificatie van belanghebbende als houder van een bankrekening bij Van Lanschot op de juiste wijze is geschied. Bij de schatting van de saldi van belanghebbende is de inspecteur op basis van informatie van meewerkers uitgegaan van een vermogenstoename van 23,5% per jaar. Nu de inspecteur geen informatie heeft gegeven over de personen uit deze vergelijkingsgroep en de aard van hun rekeningen, acht het hof het niet juist om ook een vermogenstoename van 23,5% toe te passen bij belanghebbende (die ouder is dan 65 jaar en beschikt over een rekening die voornamelijk bestond uit obligaties).

Het hof vermindert verder de boeten wegens overschrijding van de redelijke termijn. Wegens de samenhang tussen de verschillende zaken geldt de aankondiging van de eerste boetebeschikking ook als criminal charge voor alle latere boetebeschikkingen. Het hof oordeelt ten slotte dat het verzoek om een dwangsom niet onredelijk laat is gedaan. De inspecteur verbeurt slechts eenmaal een dwangsom van € 1.260 omdat alle beschikkingen één zaak vormen.