De fiscus en de beleggingsleer

Bert en Irma zijn op huwelijkse voorwaarden getrouwd. Bert is directeur-grootaandeelhouder van een BV. Deze BV had in 2013 de behoefte aan liquide middelen en het toeval wilde dat Irma net een erfenis had gehad. Irma heeft in september 2013 100.000 euro op de bankrekening van de BV gestort. Tijdens een diner in het plaatselijke restaurant is afgesproken dat het bedrag zal worden terugbetaald, zodra de BV qua liquiditeit daartoe in staat is.

De vordering van Irma op de BV van haar echtgenoot wordt fiscaal anders behandeld dat spaargeld. Er is sprake van het ter beschikking stellen van vermogen aan een vennootschap waarin de partner een zogenoemd aanmerkelijk belang heeft. De rente is belast tegen het normale progressieve inkomstenbelastingtarief (box 1). Omdat er geen rente is afgesproken, moet er fiscaal een zakelijke rente worden toegerekend. Stel dat 6% een zakelijk rentetarief is, dan betekent dit dat Irma over 6.000 euro in box 1 wordt aangeslagen. Daar staat tegenover dat de BV van Bert een aftrekpost heeft van 6.000 euro.

Stel dat Irma de vordering niet opeist en dat zij in 2018 van Bert gaat scheiden. Het stel is gehuwd op huwelijkse voorwaarden waardoor er geen verdeling van een huwelijksgemeenschap hoeft plaats te vinden. Irma herinnert zich nog wel de vordering van 100.000 euro. Als Irma een scherpe advocaat heeft, zal deze haar erop wijzen dat zij ook recht heeft op een deel van de waardestijging van de BV. Dat komt omdat er geen rente is afgesproken. Als de lening 20% van het BV-vermogen behelst, heeft zij recht op 20% van de waardestijging van de BV. Als de waarde van de BV is gedaald, dient op de vordering overigens een navenante korting te worden toegepast. Dit heet de beleggingsleer, die per 1-1-2012 in het Burgelijk Wetboek is opgenomen.

Via de vordering heeft Irma een belang bij de BV. Onduidelijk was of Irma dit belang in haar inkomstenbelastingaangifte als zodanig moest verantwoorden. Per 1 januari 2014 is in de belastingwet vastgelegd dat dit niet hoeft. Een belang op grond van de civielrechtelijke beleggingsleer wordt fiscaal niet in aanmerking genomen. Irma verantwoordt in haar belastingaangifte dus een vordering in plaats van een aandelenbelang.

Als er tussen getrouwde partners onderling leningen worden verstrekt, is het raadzaam hiervoor zakelijke afspraken te maken. Bij een lening betekent dit dat een rente en een aflossingsschema zou moeten worden afgesproken. In dat geval is de beleggingsleer niet van toepassing en hoeft er bij echtscheiding alleen een nominale vordering/schuld te worden afgerekend.

Bron: Actuele artikelen