Nieuws

De regeling van de belastingrente zal in het Belastingplan 2019 worden aangepast

De belastingrente regeling houdt in, dat belastingplichtigen bij tijdig en correcte aangifte geen rente hoeven te betalen als er... Lees meer >

De belastingrente regeling houdt in, dat belastingplichtigen bij tijdig en correcte aangifte geen rente hoeven te betalen als er een bijbetaling moet plaatsvinden. De aanslag kan dan namelijk op tijd worden opgelegd. Wordt de aangifte niet op tijd ingediend dan volgt een aanslag met rente waarbij de hoogte per belastingmiddel kan verschillen. De rente wordt in rekening gebracht vanaf de dag dat de aangifte ingediend had moeten zijn tot 6 weken na dagtekening van de aanslag, ongeacht wanneer de aanslag binnen deze 6 weken wordt voldaan.

Rente als sanctie
De rente is dus te zien als een sanctie voor te laat aangifte doen dan wel geen voorlopige aanslag aan te vragen.  In het Belastingplan 2019 wil de Staatssecretaris de belastingrente voor de inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting en de erfbelasting aanpassen.

Wat zal er aangepast worden? 

Inkomstenbelasting:
er zal geen belastingrente in rekening worden gebracht indien de aangifte wordt ingediend voor 1 mei van het jaar volgend op het jaar waarover aangifte moet worden gedaan en de aanslag conform die aangifte wordt vastgesteld.

Erfbelasting:
Het kan voorkomen dat belastingrente in rekening wordt gebracht ondanks dat de aangifte tijdig wordt ingediend en de aanslag conform die aangifte wordt vastgesteld. Voorstel zal daarom worden dat als tijdig een verzoekt om een voorlopige aanslag wordt ingediend of tijdig aangifte erfbelasting wordt gedaan, geen belastingrente in rekening wordt gebracht indien de (voorlopige) aanslag wordt vastgesteld overeenkomstig het ingediende verzoek of de ingediende aangifte.

Vennootschapsbelasting:
Ook wil hij voor de vennootschapsbelasting bewerkstelligen dat indien een aangifte wordt ingediend voor 1 juni en de aanslag overeenkomstig de aangifte wordt vastgesteld, geen belastingrente wordt gerekend.

Onder voorbehoud …
Dit alles uiteraard als een en ander voor de belastingdienst uitvoerbaar blijkt te zijn. Gezien de uitvoeringsproblemen zal het niet mogelijk zijn de rente die doorloopt tot en met 6 weken na dagtekening te laten stoppen op moment dat binnen die 6 weken de aanslag is voldaan.

Voor wat betreft de hoogte van de in rekening te brengen rente geldt ( en dat zal ook zo blijven) de wettelijke rente voor (niet-)handelstransacties met een ondergrens van 4 en 8% afhankelijk van de belastingsoort.

Compensatieregeling ondernemende moeders

In vijf maanden tijd hebben 16.394 zzp'ers die tussen 2005 en 2008 zijn bevallen, een compensatie aangevraagd, blijkt uit... Lees meer >

In vijf maanden tijd hebben 16.394 zzp’ers die tussen 2005 en 2008 zijn bevallen, een compensatie aangevraagd, blijkt uit cijfers van uitkeringsinstantie UWV. Het aantal verzoeken ligt met 18.695 een stuk hoger omdat de moeders per bevalling recht hebben op een vergoeding.

Geen uitkering in die periode
Over die periode gaf het UWV vrouwelijke zelfstandigen geen zwangerschaps- en bevallingsuitkering omdat een wettelijke regeling daarvoor ontbrak. De Waz, de Wet arbeidsongeschiktheid zelfstandigen, werd in 2004 opgeheven waardoor vrouwelijke ondernemers die zwanger werden er geen aanspraak meer op konden maken.

Nieuwe regeling uit 2008
In 2008 kwam er een nieuwe regeling. Na jarenlang procederen besloot toenmalig minister Asscher vorig jaar dat de groep vrouwen die misgreep, alsnog een uitkering kan aanvragen. De zelfstandigen met een gemiste compensatie hadden tot eind september de mogelijkheid om de financiële tegemoetkoming aan te vragen. Per bevalling kunnen de ondernemers 5600 euro aan compensatie ontvangen.

Uitbetaling in januari 2019
Het geldbedrag zal in januari 2019 worden uitgekeerd. Hoeveel aanvragen worden toegekend, is nog niet duidelijk. Het UWV geeft zichzelf tot 1 april 2019 om alle aanvragen te beoordelen

De fiscale regels als Sinterklaas op de zaak komt

Als uw organisatie voor de kinderen van het personeel een sinterklaasfeest wil organiseren, is het zaak om goed te... Lees meer >

Als uw organisatie voor de kinderen van het personeel een sinterklaasfeest wil organiseren, is het zaak om goed te weten hoe deze kosten fiscaal behandeld moeten worden. Anders klopt – na de goedheiligman – ook de Belastingdienst aan, maar dan met een naheffing en boete.

De regels voor een sinterklaasfeest zijn behoorlijk ingewikkeld. De fiscale behandeling van strooigoed, chocoladeletters, speculaas en andere consumpties die de werkgever aan de werknemers, hun partners en hun kinderen uitdeelt, hangt namelijk af van de locatie waar het feest wordt gehouden.

Op de werkplek of externe locatie

Vindt het feest plaats op de werkplek of in een andere vestiging van uw organisatie (bijvoorbeeld in de bedrijfskantine), dan geldt voor de consumpties een nihilwaardering. Dat geldt óók voor de consumpties van de partner en kinderen van de werknemer.
Is het feest op een externe locatie, dan moet de waarde van de consumpties én de rest van het feest bij het loon van de werknemers geteld worden of als eindheffingsloon worden  ondergebracht in de vrije ruimte. Dat geldt ook voor andere kosten voor het feest, zoals het inhuren van een hulpsinterklaas of het laten reinigen van de sint- en pietenpakken.

Geschenken voor thuis zijn belast loon

Ongeacht waar het sinterklaasfeest plaatsvindt, cadeautjes en versnaperingen die de genodigden meekrijgen voor thuis zijn altijd belast loon. De werkgever moet de waarde ervan in het economisch verkeer óf bij het loon van de werknemer tellen en normaal belasten óf aanwijzen als eindheffingsloon en ten laste van de vrije ruimte laten komen. In de praktijk kiezen de meeste werkgevers voor de laatste optie, omdat ze het bedrijfsfeest niet (gedeeltelijk) op de loonstrook van de werknemer willen zetten.

Afwijkende regels voor niet-werknemers

Zijn voor het sinterklaasfeest ook de gezinnen van uitzendkrachten en freelancers uitgenodigd die voor uw organisatie werken, dan kunnen die kosten niet in de vrije ruimte. De werkkostenregeling geldt immers alleen voor eigen werknemers die ook bij uw organisatie op de loonlijst staan.
Om het feest voor deze niet-werknemers onbelast te laten, moet uw organisatie de eindheffing toepassen voor verstrekkingen aan zakelijke relaties die werknemers ook tegelijk en voor dezelfde gelegenheid ontvangen. De niet-werknemer moet hier ook over worden geïnformeerd. Gewoonlijk zullen de kosten van het sinterklaasfeest binnen € 136 per deelnemer blijven. Dan betaalt de werkgever per externe kracht 45% eindheffing over de werkelijke kosten. Zijn de kosten hoger dan € 136, dan is over de hele waarde van het feest per externe deelnemer 75% eindheffing verschuldigd. Dit werkt op dezelfde manier als een kerstpakket.

Langere proeftijd maakt vast contract tijdelijk contract?

Eén van de opvallende maatregelen uit de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) is de verruiming van de mogelijkheden voor... Lees meer >

Eén van de opvallende maatregelen uit de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) is de verruiming van de mogelijkheden voor een langere proeftijd. De Raad van State en vakbonden willen dat het kabinet deze wijziging schrapt.

Het kabinet heeft het plan om via de WAB de regels voor de proeftijd in een arbeidsovereenkomst op een paar punten aan te passen. Meest ingrijpend is de maatregel voor vaste contracten: geeft een werkgever op of na 1 januari 2020 een nieuwe werknemer direct een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, dan mag de proeftijd maximaal vijf maanden duren. Nu is dat nog twee maanden. Dit moet het voor werkgevers aantrekkelijker maken om (sneller) een vast contract aan te bieden.

Ook langere proeftijd voor lange tijdelijke contracten

Voor een tijdelijk contract van twee jaar of langer gaat de maximale duur van de proeftijd naar drie maanden, een maand langer dan het huidige maximum. Voor andere tijdelijke contracten blijft de wettelijke proeftijd onveranderd:

  • Projectovereenkomst: hoogstens een maand.
  • Contract van langer dan zes maanden maar korter dan twee jaar: hoogstens een maand.
  • Contract van zes maanden of korter: géén proeftijd.

Daarnaast wordt in de wet opgenomen dat de werkgever een proeftijd van maximaal twee maanden mag opnemen in een arbeidsovereenkomst die een eerdere arbeidsovereenkomst opvolgt, maar waarbij andere vaardigheden en verantwoordelijkheden horen. Als dit opvolgende contract voor onbepaalde tijd is, mag het dus geen langere proeftijd van vijf maanden bevatten.

Lange proeftijd misbruiken voor tijdelijke werkzaamheden

Tijdens de proeftijd kunnen zowel de werkgever als de werknemer zomaar de arbeidsovereenkomst beëindigen. Een proeftijd van vijf maanden brengt dan ook veel onzekerheid met zich mee. Het is één van de kritiekpunten van de vakbonden, maar ook van de Raad van State, die adviseert de nieuwe proeftijdregels te schrappen in de WAB. Er is niet verduidelijkt voor welk probleem de regels een oplossing bieden. Als werkgevers en werknemers een langere ‘testperiode’ willen, kunnen zij hiervoor een kort tijdelijk contract overeenkomen. De Raad van State waarschuwt dat de langere proeftijd naast onzekerheid ook kan zorgen voor een nieuwe variant van flexibele arbeid: een vast contract dat gebruikt wordt als (vrijwel rechteloos) tijdelijk contract.
Wel wordt in de WAB geregeld dat bij ontslag in de proeftijd van een vast contract het contract meetelt in de ketenbepaling en de werknemer dan recht heeft op een transitievergoeding.

De kleine lettertjes: de suppletieaangifte voor de BTW

Blijkt aan het eind van het jaar dat een ondernemer voor de BTW te weinig BTW heeft afgedragen of... Lees meer >

Blijkt aan het eind van het jaar dat een ondernemer voor de BTW te weinig BTW heeft afgedragen of juist te veel BTW heeft betaald, dan kan hij dit corrigeren door middel van een suppletieaangifte. Wat houdt deze aangifte nu precies in en waar moet op gelet worden?

In artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 is opgenomen dat als een belastingplichtige constateert dat hij een aangifte over een tijdvak in de afgelopen vijf kalenderjaren onjuist of onvolledig heeft gedaan waardoor er te veel of te weinig belasting is betaald, hij gehouden is bij wijze van suppletie de juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken. Een suppletieaangifte komt dus pas aan de orde op het moment dat geconstateerd is dat er een onjuiste aangifte BTW is gedaan. Vaak zal dit voor het eerst plaatsvinden bij het opmaken van de jaarrekening. Tijdens deze werkzaamheden kan blijken dat de ondernemer te weinig of juist te veel BTW heeft aangegeven en betaald of dat hij een bepaalde aangifte onjuist invulde.

Wettelijke verplichting om te informeren

Maar dit is niet het enige moment waarop een suppletie aan de orde kan komen. Sinds 2012 heeft een ondernemer de wettelijke verplichting de Belastingdienst te informeren wanneer eerder ingediende BTW-aangiften niet volledig of incorrect zijn. Op grond van deze informatieplicht moet de suppletieaangifte worden gedaan zodra is geconstateerd dat de BTW-aangifte onjuist of onvolledig is. Dit kan dus veel eerder zijn dan tijdens het opmaken van de jaarrekening.

Termijn indienen is vijf jaar

De suppletieaangifte moet de ondernemer digitaal indienen bij de Belastingdienst. De termijn voor het indienen van een suppletieaangifte is vijf jaar. De aangifte leidt tot een naheffingsaanslag (bij te weinig betaald) of wordt behandeld als een ambtshalve verzoek om teruggaaf. In tegenstelling tot de reguliere BTW-aangifte hoeft het verschuldigde bedrag pas na ontvangst van de naheffingsaanslag te worden betaald. De fiscus kan een vergrijpboete  opleggen als de ondernemer het indienen van een correctie achterwege laat.

Voor 1 april correctie doen

Geeft de ondernemer vrijwillig vóór 1 april 2019 de correctie voor te weinig aangegeven BTW van 2018 aan en betaalt hij deze ook, dan is hij geen heffingsrente verschuldigd.
Als het bedrag van de correctie lager is dan € 1.000 (positief of negatief), is het toegestaan deze correctie te verwerken in de eerstvolgende aangifte BTW. Hiervoor hoeft er dan geen afzonderlijke suppletieaangifte te worden ingediend

Actiepunten voor BTW-ondernemer die nu 6%-tarief toepast

Wat moet een ondernemer voor de BTW allemaal doen en waar moet hij op letten aan het eind van... Lees meer >

Wat moet een ondernemer voor de BTW allemaal doen en waar moet hij op letten aan het eind van het jaar als het lagere tarief voor de BTW stijgt naar 9%? En valt er dan nog een voordeeltje te behalen voor hem?

Per 1 januari 2019 vindt de verhoging van het lage BTW-tarief van 6 naar 9% plaats. Dit betekent dat met name de eerste levensbehoeften in prijs worden verhoogd. Niet alleen eten en drinken – alcoholhoudende drank uitgezonderd – krijgen te maken met de verhoging van het tarief, ook boeken en tijdschriften, de kapper, concertkaartjes, hotelovernachtingen, de schoenmaker en de schilder en stukadoor ontkomen er niet aan. Ondernemers voor de BTW die nu dus nog met het lagere BTW-tarief van 6% te maken hebben, moeten er per 2019 voor zorgen dat alle administratieve handelingen op dat gebied met 9% gefactureerd worden. Tijd dus om in actie te komen.

Actiepunten voor verhoging tarief

Hieronder de actiepunten die in de gaten moeten worden gehouden:

  • De kassasystemen moeten worden aangepast aan het nieuwe lage tarief van 9%.
  • Check of het boekhoudprogramma de verhoging automatisch verwerkt en zo niet, pas dit tijdig aan.
  • Pas de facturatie aan zodat het juiste tarief wordt gehanteerd.
  • Als een BTW-ondernemer nu al offertes maakt voor leveringen of diensten na 1 januari 2019, houd dan rekening met het nieuwe tarief.
  • Bij het verrichten van werkzaamheden voor particulieren en ondernemingen die vrijgestelde prestaties verrichten, kan een voordeeltje worden behaald als het moment van facturering naar voren wordt gehaald en er ook in 2018 betaald wordt. Het 6%-tarief is dan namelijk nog van toepassing. Voordeel is 3% BTW.

Belastingadviseurs: heffing op hoge bv-schulden herzien

Het kabinet moet terug naar de tekentafel met de aangekondigde heffing op hoge schulden van directeuren-grootaandeelhouders (dga's) bij hun... Lees meer >

Het kabinet moet terug naar de tekentafel met de aangekondigde heffing op hoge schulden van directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) bij hun eigen bv. Dat vindt de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs. De organisatie vindt dat de maatregel de belastingwetgeving alleen maar ingewikkelder maakt.

Op Prinsjesdag kondigde het kabinet aan dat er een extra heffing komt op ‘excessieve’ leningen van dga’s bij hun eigen bv. Schulden boven de € 500.000 worden vanaf 2022 aangemerkt als inkomen uit aanmerkelijk belang en belast in box 2 van de inkomstenbelasting. Nu het schrappen van de dividendbelasting niet doorgaat, heeft het kabinet de extra heffing wel enigszins verzacht. Er komt namelijk een uitzondering voor leningen die zijn gebruikt om een woning te kopen. De drempel van € 500.000 gaat dus gelden voor de overige schulden.

Dga kan geld niet zomaar vrijmaken

Op de extra heffing is al sinds de aankondiging volop kritiek, mede omdat die in veel ogen nogal uit de lucht komt vallen. Ook kunnen veel dga’s het geld niet zomaar vrijmaken, omdat het geïnvesteerd is. Verder vragen critici zich af of de Belastingdienst niet al voldoende middelen heeft om excessieve bv-schulden aan te pakken.
Naast ondernemersorganisaties morren ook de belastingadviseurs. Zo wijst het Register Belastingadviseurs (RB) erop dat er geen onderscheid wordt gemaakt in soorten schulden. Als een dga geld leent voor de investering in waardevolle goederen, zoals onroerend goed of beleggingen, is dat een schuld die later terugbetaald moet worden. In zo’n geval is de schuld dus géén inkomen, aldus het RB, en moet dit dus ook niet zo belast worden.

‘Maatregel werkt ontwijkingsgedrag in de hand’

Ondanks de kritiek heeft de ‘heroverweging’ van het belastingpakket er in elk geval niet toe geleid dat de bv-heffing in de prullenbak is verdwenen. De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) vindt de maatregel ook na de aanpassingen niet in de haak. De beroepsvereniging roept het kabinet daarom nogmaals op om de heffing te heroverwegen.
De harde grens van € 500.000 en de ‘grote mate van overkill’ van de maatregel werken ontwijkingsgedrag in de hand, voorspelt de NOB. Het kabinet komt waarschijnlijk met maatregelen om een stokje te steken voor zulk ontwijkingsgedrag. Die maken de belastingwetgeving er alweer niet eenvoudiger op, zo benadrukt de NOB. Ook zou de organisatie graag zien dat er een heffing komt die rekening houdt met de actuele financiële situatie van een dga, in plaats van deze ‘one size fits all’-heffing.

Werkgevers hebben meer kennis nodig over wijzigingen Arbowet

Uit onderzoek in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) bleek dat werkgevers nog onvoldoende bekend... Lees meer >

Uit onderzoek in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) bleek dat werkgevers nog onvoldoende bekend zijn met de inhoud van wijzigingen van de Arbowet. Daarom organiseert het ministerie een bijeenkomst over de toekomst van arbozorg in organisaties.

Uit het onderzoek De gewijzigde Arbowet (pdf), uitgevoerd onder arbobeïnvloeders, bleek vorige maand dat veel werkgevers nog niet weten wat precies de wijzigingen in de Arbowet zijn. Ze weten wel dat de wet is gewijzigd, maar niet wat dit inhoudelijk eigenlijk betekent. De vernieuwde Arbowet legt de verantwoordelijkheid voor gezonde en veilige arbeidsomstandigheden nog meer bij de werkgever en werknemers. Samenwerking is dus belangrijk. Op donderdag 22 november organiseert het ministerie van SZW een netwerkbijeenkomst Arbozorg 2020: meer preventie & samenwerking. Het doel van deze bijeenkomst is om met elkaar stappen te zetten om de arbeidsgerelateerde zorg in de toekomst te verbeteren. Aanmelden kan via www.arbozorg2020.nl.

Meer informatie nodig over basiscontract

Het onderzoek is een momentopname uit juni 2018, dus nog voor de deadline van 1 juli 2018 waarop werkgevers moesten beschikken over een basiscontract met een arbodienst of bedrijfsarts. Een derde van de deelnemers aan het onderzoek gaf aan met geen enkele wijziging inhoudelijk bekend te zijn. Bij grote organisaties is slechts 4% niet op de hoogte van de inhoudelijke wijzigingen. Twee op de vijf respondenten gaf aan meer informatie nodig te hebben en een derde vindt dat er in de eigen organisatie meer voorlichting moet zijn over arbozorg. Respondenten willen vooral meer weten over de invoering van het basiscontract en het inschakelen van de bedrijfsarts (tools).

Overzicht van alle wijzigingen van de Arbowet

De Arbowet is op 1 juli 2017 gewijzigd. Het doel van de wijziging is om werkgever en werknemers meer verantwoordelijk te maken voor de geboden arbozorg in de eigen organisatie. Ook is preventie van beroepsziekten (tools) belangrijker geworden. De bedrijfsarts krijgt hierbij nadrukkelijker een rol; zo moet hij de werkgever adviseren over preventiemaatregelen in de organisatie en moet hij beroepsziekten melden bij het Nederlands centrum voor Beroepsziekten (NCVB). Speciaal voor werkgevers in het mkb is eind vorig jaar een brochure gepubliceerd met een overzicht van wijzigingen van de Arbowet.

Eerste Kamer stemt in met wetsvoorstel geboorteverlof

De Eerste Kamer heeft ingestemd met het wetsvoorstel Invoering extra geboorteverlof (WIEG). Dit betekent dat werknemers hoogstwaarschijnlijk per 1... Lees meer >

De Eerste Kamer heeft ingestemd met het wetsvoorstel Invoering extra geboorteverlof (WIEG). Dit betekent dat werknemers hoogstwaarschijnlijk per 1 januari 2019 geen recht meer hebben op kraamverlof, maar op geboorteverlof.

Door de WIEG kunnen de meeste werknemers straks langer verlof opnemen na de bevalling van hun partner. De duur van het geboorteverlof is namelijk eenmaal de wekelijkse arbeidsduur. Iedere werknemer die meer dan twee dagen werkt, gaat er straks dus in verlofdagen op vooruit. De werkgever moet tijdens het geboorteverlof het volledige loon van de werknemer doorbetalen.

Geboorteverlof heeft onmiddellijke inwerkingtreding

In de memorie van toelichting staat dat het geboorteverlof per 1 januari 2019 ingaat. In de wet zelf is deze datum niet opgenomen, maar het ziet ernaar uit dat werkgevers volgend jaar al te maken krijgen met het geboorteverlof. Daarnaast staat in de WIEG dat het geboorteverlof een onmiddellijke inwerkingtreding heeft. Dat betekent dat een werknemer van wie de partner op of na 1 januari 2019 bevalt recht heeft op geboorteverlof. Een werknemer van wie de partner op 31 december 2018 bevalt heeft nog recht op kraamverlof.
Zijn er in de cao of een regeling met de ondernemingsraad (OR) of personeelsvertegenwoordiging (PVT) afwijkende afspraken gemaakt over het kraamverlof, dan blijven deze afspraken gelden totdat de cao of regeling is verlopen, maar uiterlijk tot 1 juli 2019. In dat geval kan een werknemer van wie de partner op of na 1 januari 2019 bevalt, dus nog wel recht hebben op kraamverlof.

Per 1 juli 2020 aanvullend geboorteverlof

Per 1 juli 2020 krijgen werknemers bovenop het geboorteverlof ook recht op aanvullend geboorteverlof. De duur van het aanvullend geboorteverlof is vijfmaal de wekelijkse arbeidsduur. Een fulltime werknemer kan dan dus in totaal zes weken verlof (geboorteverlof én aanvullend geboorteverlof) opnemen na de bevalling van zijn partner. Tijdens het aanvullend geboorteverlof ontvangt de werknemer een uitkering van UWV van 70% van zijn dagloon (tot 70% van het maximumdagloon).

Ook uitbreiding adoptie- en pleegzorgverlof

De WIEG zorgt overigens ook voor een uitbreiding van het adoptie- en pleegzorgverlof van vier weken naar zes weken. Ook deze maatregel moet per 1 januari 2019 ingaan

De vennootschapsbelasting kan nóg lager: zo concurreren landen om bedrijven aan te trekken

Het VK wil met „de laagste vennootschapsbelasting” ook na de Brexit buitenlandse bedrijven trekken. Maar bij vestigingskeuze is die... Lees meer >

Het VK wil met „de laagste vennootschapsbelasting” ook na de Brexit buitenlandse bedrijven trekken. Maar bij vestigingskeuze is die heffing alleen niet doorslaggevend. Het Verenigd Koninkrijk staat er – net als Nederland – om bekend scherp aan de wind te zeilen op belastingvlak. En premier Theresa May liet onlangs blijken geen millimeter te zullen wijken van die koers: „Wat voor bedrijf u ook heeft, investeren in Groot-Brittannië na de Brexit geeft u de laagste vennootschapsbelasting in de G20.”

VK wil koppositie winstbelasting behouden
Sinds het Verenigd Koninkrijk de winstbelasting voor bedrijven vorig jaar verlaagde naar 19 procent, heeft het al de laagste winstbelasting van de G20: de club van de negentien belangrijkste industrielanden ter wereld en de Europese Unie. May liet blijken die ‘koppositie’ nooit uit handen te willen geven.

Ook Nederland ziet kracht van laag tarief in
Ze vindt het tarief van de winstbelasting belangrijk om de economie competitief te houden. Daarin staat ze niet alleen. Afgelopen woensdag nog zei Laura van Geest, directeur van het Centraal Planbureau, tegen NRC dat het „om je vestigingsklimaat te verbeteren logischer is om de vennootschapsbelasting te verlagen” dan de dividendbelasting af te schaffen. Het kabinet is overigens van plan om per 2021  de vennootschapsbelasting te verlagen van 25 naar 22,25 procent.

Hoe belangrijk is de hoogte van de vennootschapsbelasting voor het aantrekken van investeringen?
„Het is een van de eerste zaken waar ondernemingen op letten”, zegt Raymond Luja, hoogleraar rechtsvergelijkend belastingrecht in Maastricht. Volgens hem speelt de vennootschapsbelasting met name een rol bij de „voorselectie” door buitenlandse bedrijven die investeringen over de grens overwegen. Mede op basis van het tarief van de vennootschapsbelasting stellen ze een shortlist van landen samen. Vervolgens maken ze op basis van meer criteria een definitieve keuze: naast de fiscale omstandigheden gaat het dan bijvoorbeeld om infrastructuur en arbeidsmarkt.

De winstbelasting voor bedrijven blijft daarmee op het internationale economische toneel een grote rol van betekenis spelen.

Papieren aandeelhoudersregister vaak niet op orde

De aandeelhoudersregistratie van bedrijven is vaak niet actueel, onvolledig, onjuist of zelfs kwijt... Lees meer >

De aandeelhoudersregistratie van bedrijven is vaak niet actueel, onvolledig, onjuist of zelfs kwijt. Dit blijkt uit een peiling van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB). Van de 708 deelnemende (kandidaat-)notarissen geeft 34 procent aan dat dit ‘regelmatig’ het geval is. Nog eens 35 procent zegt ‘vaak’ en 16 procent zelfs ‘heel vaak’.

CAHR?
De Tweede Kamer is begonnen aan de behandeling van het initiatiefwetsvoorstel voor een centraal aandeelhouders­register (CAHR). Het CAHR geeft inzicht in wie schuil gaan achter bv’s en niet-beursgenoteerde nv’s en levert hierdoor een waardevolle bijdrage aan voorkoming en bestrijding van financieel-economische criminaliteit door middel van rechtspersonen. Het CAHR dient mede de rechtszekerheid, omdat er – zoals uit de peiling blijkt – geregeld iets mis is met de aandeelhoudersregistratie van vennootschappen. Het CAHR heeft een belangrijke toegevoegde waarde ten opzichte van het UBO-register. Dit register wordt gedeeltelijk openbaar. Veel bedrijven – met name familiebedrijven – maken zich zorgen over deze openbaarheid.

Lobby
Voor de lobby heeft de KNB de leden een paar vragen gesteld. Hoe vaak herstructureren cliënten – met het UBO-register in zicht – hun bedrijf om registratie in dat register te voorkomen? En hoe vaak is er iets mis met het huidige aandeelhoudersregister, het zogenoemde klappertje? 22 procent van de beroepsgroep nam deel aan de peiling. 62 procent van de ondervraagden maakt ‘soms’ tot ‘heel vaak’ mee dat cliënten herstructurering overwegen, in gang zetten of hierover advies vragen om registratie in het UBO-register te voorkomen. De KNB denkt dat dit toeneemt als het UBO-register wordt ingevoerd en zal daarom in een later stadium opnieuw peilen.

Vragen over: het recht op een second opinion van de bedrijfsarts

Sinds de wijziging van de Arbowet op 1 juli 2017 hebben werknemers het recht een second opinion aan te... Lees meer >

Sinds de wijziging van de Arbowet op 1 juli 2017 hebben werknemers het recht een second opinion aan te vragen bij een tweede bedrijfsarts. Dat betekent niet dat de werknemer kan gaan ‘shoppen’ voor een medisch oordeel; er zijn wel een aantal regels voor het traject dat hij moet volgen.

Moet de werknemer zelf een second opinion aanvragen?

Ja, alleen de werknemer mag een second opinion aanvragen over het oordeel van de eigen bedrijfsarts (tool) bij een tweede bedrijfsarts. Hij moet dit echter wel via de eigen bedrijfsarts doen. De regels voor dit traject zijn:

  • de werknemer vraagt de second opinion aan bij de eigen bedrijfsarts;
  • de eigen bedrijfsarts moet in principe aan dit verzoek voldoen en de werknemer doorverwijzen naar een andere bedrijfsarts;
  • de werknemer kiest zelf een bedrijfsarts voor de second opinion uit de bedrijfsartsen die hiervoor aangewezen zijn in het basiscontract met de arbodienstverlener (of kiest in overleg met de werkgever een ander);
  • de tweede bedrijfsarts brengt zijn advies uit aan de eerste bedrijfsarts waarna de eerste bedrijfsarts de begeleiding van de zieke werknemer weer overneemt.

Moet de werkgever de second opinion altijd betalen?

Ja, de werkgever betaalt de kosten voor de second opinion. Voorwaarde hiervoor is dat de werknemer een bedrijfsarts kiest die in het contract met de arbodienstverlener (een gecertificeerde arbodienst (tools) of een geregistreerde bedrijfsarts) is aangewezen als partij om de second opinion uit te voeren. Staat de gekozen bedrijfsarts niet in het contract, dan hoeft de werkgever de kosten voor de second opinion niet te betalen.  Een uitzondering hierop is als de tweede bedrijfsarts vanwege een specifieke zorgvraag is gekozen die niet door een van de gecontracteerde arbodiensten of bedrijfsartsen kan worden geboden. Ook als de werkgever instemt met de keuze voor een andere bedrijfsarts buiten het contract, zijn de kosten voor de werkgever.

Kan het deskundigenoordeel een second opinion vervangen?

Nee, dat kan niet want het deskundigenoordeel is iets heel anders dan een second opinion. Het deskundigenoordeel van UWV is bedoeld om de re-integratie (tools) weer op gang te brengen, terwijl de second opinion een medisch advies controleert. Zowel de werkgever als de werknemer kunnen een deskundigenoordeel aanvragen. In bepaalde situaties is dit gratis, bijvoorbeeld bij ontslag wegens frequent ziekteverzuim of onvoldoende re-integratie inspanningen van de werknemer. In andere situaties kost het deskundigenoordeel € 400 voor werkgevers en € 100 voor werknemers

Uiterlijk 14 december wisseling aangiftetijdvak doorgeven

Werkgevers die per 1 januari 2019 willen wisselen van aangiftetijdvak voor de loonheffingen van vier weken naar een maand... Lees meer >

Werkgevers die per 1 januari 2019 willen wisselen van aangiftetijdvak voor de loonheffingen van vier weken naar een maand of andersom, moeten dat uiterlijk 14 december aan de Belastingdienst hebben doorgegeven. Doen ze dit niet, dan zitten ze nog minstens een kalenderjaar vast aan hun huidige aangiftetijdvak.

Organisaties kunnen één keer per kalenderjaar wisselen van aangiftetijdvak voor de loonheffingen. Ze kunnen dan kiezen voor een aangiftetijdvak van een maand of voor een aangiftetijdvak van vier weken. Alleen als ze deze wijziging uiterlijk 14 december aan de Belastingdienst doorgeven met het juiste formulier (pdf) voert de fiscus de wijziging door per 1 januari 2019. Is het formulier te laat binnen, dan gaat de wijziging pas in per 1 januari 2020. In de loop van het jaar van aangiftetijdvak wisselen, is namelijk niet mogelijk.

Bijzondere tijdvakken voor bepaalde groepen

Op de standaardtijdvakken van vier weken en een maand gelden een aantal uitzonderingen. Voor deze groepen werknemers gelden bijzondere tijdvakken:

  • personeel van zelfstandige binnenschippers die aan boord van het schip wonen: aangiftetijdvak van een half jaar;
  • personeel aan huis, waaronder personeel in het kader van een persoonsgebonden budget voor zorg: aangiftetijdvak van een jaar;
  • meewerkende kinderen: aangiftetijdvak van een jaar.

Alle afwijkende aangiftetijdvakken staan in paragraaf 11.1 van het Handboek Loonheffingen 2018

Wilt u van tijdvak veranderen, geef dit dan op tijd aan ons door

Expats boos op kabinet

Expats in Nederland zijn boos op het kabinet vanwege de belastingverhoging waarmee ze komend jaar te maken krijgen. ... Lees meer >

Expats in Nederland zijn boos op het kabinet vanwege de belastingverhoging waarmee ze komend jaar te maken krijgen. In de Miljoenennota werd bevestigd dat buitenlandse werknemers niet meer acht jaar maar vijf jaar belastingkorting krijgen.

Kennismigranten
In 2016 maakten ongeveer 65.000 buitenlandse werknemers gebruik van de zogenoemde 30-procentregeling. Die regeling zorgt ervoor dat zij over 30 procent van hun inkomen geen belasting hoeven te betalen en is bedoeld om Nederland aantrekkelijker te maken voor ‘kennismigranten’ die bijdragen aan de Nederlandse economie.
Uit onderzoek in opdracht van het ministerie van Financiën bleek vorig jaar dat de regeling werkt, maar niet optimaal. Het zou effectiever zijn om de looptijd terug te brengen naar vijf of zes jaar, was het advies. Uit de Miljoenennota bleek dat het kabinet de regeling daadwerkelijk terugbrengt naar vijf jaar, zonder overgangsregeling.

Geen transitieperiode
De expats zijn vooral boos over het ontbreken van een transitieperiode. De Nederlandse overheid heeft natuurlijk het recht om de wet te veranderen, maar zonder transitieperiode breekt het beloftes. Mensen die hier al vier jaar wonen hebben keuzes gemaakt op basis van die acht jaar. Ze hebben hun financiële planning erop afgesteld.

Afgepakt cadeau
Niet alle expats zijn tegen de kabinetsplannen, voor velen voelt het vooral als oneerlijk om zo snel zonder overgangsregeling de belastingvoordelen weg te nemen. In feite is een cadeau beloofd dat nu zonder vooraankondiging wordt afgenomen.

Kabinet treft BV’s om gat te dichten

Het kabinet heeft om een sluitende begroting te krijgen, op het laatste moment een fiscale maatregel genomen die eenmalig... Lees meer >

Het kabinet heeft om een sluitende begroting te krijgen, op het laatste moment een fiscale maatregel genomen die eenmalig 1,8 miljard euro moet opleveren. Structureel levert de maatregel 50 miljoen per jaar op.

Door de maatregel moeten directeuren-grootaandeelhouders met een schuld bij hun eigen bv, over bedragen boven de 500.000 euro belasting gaan betalen. Het kabinet ziet vanaf 2022 dat bedrag niet als schuld waarover geen belasting betaald hoeft te worden, maar als winstuitkering. En omdat de belastingheffingen op winsten vanaf 2020 stapsgewijs omhoog gaan, verwacht het ministerie van Financiën dat directeuren-grootaandeelhouders volgend jaar al hun verlies nemen. De maatregel staat in de Miljoenennota en was volgens het ministerie nodig omdat in het regeerakkoord afspraken zijn gemaakt over lastenverlichting. “Maar sindsdien heeft het kabinet aan de inkomstenkant te maken gehad met tegenvallers”, zegt een woordvoerder. Zo bleek de afschaffing van de dividendbelasting 500 miljoen euro duurder uit te pakken dan aanvankelijk gedacht. “Die 50 miljoen per jaar vangt een deel van die tegenvaller op”, zegt het ministerie.

Eenmalig gedragseffect
De extra 1,8 miljard die voor volgend jaar wordt verwacht noemt het ministerie een “te verwachten gedragseffect” omdat het eenmalig tot extra belastinginkomsten leidt. Het ministerie denkt dat veel directeuren-grootaandeelhouders hun schuld aflossen voor de heffing ingaat.

In de praktijk gebeurt het regelmatig dat een directeur-grootaandeelhouder in een zogenoemde rekening-courant geld opneemt van de besloten vennootschap. Als dat gebeurt, ontstaat er een schuld van de directeur-grootaandeelhouder aan de bv. De bv heeft dus een vordering op de aandeelhouder, waar die op zijn beurt nog geen belasting over hoeft te betalen.

De impact van het voorstel zal voor veel ondernemingen/dga’s enorm zijn

Dividend

De kranten staan er de laatste maanden bol van, de dividendbelasting wordt zoals nu bekend is niet afgeschaft. Nu... Lees meer >

De kranten staan er de laatste maanden bol van, de dividendbelasting wordt zoals nu bekend is niet afgeschaft. Nu zou dit u in privé toch niet raken omdat het met name ziet op de grote internationale bedrijven. Maar toch is dit punt aanleiding voor dit artikel. Er zijn meerdere maatregelen die de komende jaren gaan spelen waaronder de voorgestelde verlaging van de vennootschapsbelasting. En via deze wijziging kom ik met een omweg toch bij het dividend dat u, als directeur groot aandeelhouder, uit  de opgebouwde algemene reserves van de B.V. naar u in privé wilt uitkeren. Het vennootschapsbelasting tarief kan dan wel omlaag gaan maar het tarief van box 2 waarin het inkomen uit de BV (waarin u een aanmerkelijk belang heeft) wordt belast vanaf 2020 omhoog.

Geen overgangsrecht
Aangekondigd is dat er geen overgangsrecht voor onder het hogere vennootschapsbelastingtarief opgebouwde algemene reserve, de winsten dus die u na belasting tot en met heden gespaard heeft in uw B.V.! Dat houdt dus met een hoger tarief in box 2, in dat het uit te keren bedrag per saldo zwaarder belast gaat worden dan nu het geval is en dan het geval zal zijn met toekomstig op te bouwen algemene reserves. Die laatste vallen dan immers onder het nieuwe, lagere tarief vennootschapsbelasting waardoor de gecombineerde heffing t.z.t. over die opgebouwde winsten en de uit te keren dividenden ongeveer gelijk zal zijn aan het huidige gecombineerde tarief

Wel/niet uitkeren van dividend?
Uitkeren van dividend vóór 2020 kan dus een belastingbesparing opleveren. Of het verstandig is dat te doen hangt mede van uw financiële privé en B.V. situatie af. Ga dus tijdig na wat bij u de voorkeur zal genieten.

Toeslagen

Komt u in aanmerking voor toeslagen? Dit zijn tegemoetkomingen van de overheid in de kosten voor huur, kinderen en... Lees meer >

Komt u in aanmerking voor toeslagen? Dit zijn tegemoetkomingen van de overheid in de kosten voor huur, kinderen en zorgverzekering. Of er recht bestaat op een of meerdere toeslagen is afhankelijk van de persoonlijke situatie.

Huurtoeslag
De verhouding huur en inkomen is bepalend of u in aanmerking komt voor huurtoeslag.

Kinderopvangtoeslag
Veel werkenden en/of studerende met kinderen die gebruik maken van kinderopvang kunnen mogelijk in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag. Of u hiervoor in aanmerking komt en tot welk bedrag is afhankelijk van inkomen een aantal kinderen dat naar de opvang gaat. Daarnaast kennen we het zogenaamde kindgebonden budget. Dat ziet op kinderen jonger dan 18 jaar en ook hier is de hoogte afhankelijk van inkomen, vermogen en aantal kinderen.

Bijdrage zorgkosten
Afhankelijk van de hoogte van inkomen en vermogen kan iedereen van 18 jaar en ouder in Nederland mogelijk een bijdrage in de kosten voor de zorgverzekering krijgen die in Nederland is afgesloten.

Toeslagpartner van belang
Van belang is dat het inkomen van je zogenaamde toeslagpartner meetelt bij de berekening voor de hoogte van de toeslag(en). Als toeslagpartner gelden niet alleen de echtgenoot of een geregistreerde partner ook degene die op uw adres staat ingeschreven! Ook het aangaan van een samenlevingscontract maakt dat er sprake is van een toeslagpartner. Duidelijk zal zijn dat daarvan ook sprake is bij het gezamenlijk aankopen van een huis. Of u in aanmerking voor toeslagen komt kunt u testen op de site van de belastingdienst