Nieuws

Het verschil: muizengaatje en luizengaatje bij ontslag

In het arbeidsrecht worden twee opvallende termen gebruikt: het muizengaatje en het luizengaatje. Beide termen hebben betrekking op de... Lees meer >

In het arbeidsrecht worden twee opvallende termen gebruikt: het muizengaatje en het luizengaatje. Beide termen hebben betrekking op de vergoeding(en) bij ontslag. Wat is het verschil in betekenis?

Onder de Wet werk en zekerheid (WWZ) heeft een werknemer die na een dienstverband van twee jaar of langer onvrijwillig uit dienst treedt, recht op de transitievergoeding. Daarnaast kan hij bij ontslag recht hebben op een zogeheten billijke vergoeding. De werkgever moet zich dan schuldig hebben gemaakt aan relevant ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Voor de billijke vergoeding hoeft een werknemer niet minimaal twee jaar in dienst te zijn.

Billijke vergoeding: van muizengaatje naar kattenluik

In de memorie van toelichting van de WWZ staat dat de billijke vergoeding bedoeld is voor zeer uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als de werkgever bewust een onwerkbare situatie creëert om een ontslag te forceren. Omdat een werknemer niet snel kans zou moeten hebben op de billijke vergoeding, werd deze mogelijkheid het ‘muizengaatje’ genoemd. Inmiddels zijn er behoorlijk wat zaken geweest waarin rechters een billijke vergoeding hebben toegekend. Er wordt daarom nu ook wel gesproken over het ‘kattenluik’. Er is geen vaste berekening die de rechter moet gebruiken om de hoogte van de billijke vergoeding vast te stellen. De vergoeding kan bijzonder hoog zijn.

Luizengaatje gaat over uitzondering transitievergoeding

De term ‘luizengaatje’ is afgeleid van het muizengaatje en staat voor een mogelijkheid die nog kleiner is dan het muizengaatje. Inhoudelijk staan de twee termen echter los van elkaar. Met het luizengaatje wordt gedoeld op de optie van de rechter om een werknemer die voor ontslag ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten – en dus geen recht heeft op de transitievergoeding  – toch een (gedeeltelijke) transitievergoeding toe te kennen. De rechter kan hiervoor kiezen als hij het niet toekennen van de transitievergoeding onrechtvaardig vindt. Daarbij valt te denken aan een werknemer die na een vlekkeloos dienstverband van dertig jaar één keer ernstig de fout ingaat. De fout kan dan ernstig verwijtbaar zijn, terwijl het onthouden van de transitievergoeding te ver gaat. Uit een evaluatie van de WWZ blijkt dat rechters zelden tot dit oordeel komen.

MUIZENGAATJE: de mogelijkheid voor een rechter om een billijke vergoeding toe te kennen aan een werknemer, omdat de werkgever voor de uitdiensttreding van de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten.LUIZENGAATJE: de mogelijkheid voor een rechter om de transitievergoeding (gedeeltelijk) toe te kennen aan een werknemer die ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten, omdat de vergoeding niet toekennen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Rittenregistratie en bijtelling ondanks luxe privéauto

Ook als een werknemer privé over een luxere auto beschikt dan de auto van de zaak die zijn werkgever... Lees meer >

Ook als een werknemer privé over een luxere auto beschikt dan de auto van de zaak die zijn werkgever aan hem ter beschikking stelt, moet hij voldoen aan de voorwaarden om de bijtelling achterwege te laten. Hij moet dus kunnen bewijzen dat hij niet meer 500 privékilometers per jaar rijdt. Dat blijkt uit een uitspraak van de Rechtbank Den Haag.

Als een werknemer een ‘Verklaring geen privégebruik auto’  van de Belastingdienst heeft, moet hij kunnen aantonen dat hij met zijn auto van de zaak niet meer dan 500 kilometer per jaar voor privédoeleinden rijdt. Dat kan met een rittenregistratie  of met een andere vorm van bewijs. In een recente rechtszaak had een werknemer geen rittenregistratie bijgehouden voor zijn Lexus voor 2011, 2012 en 2013, maar had zijn werkgever ook geen bijtelling toegepast. De inspecteur van de Belastingdienst legde daarom een naheffingsaanslag voor de loonheffingen op.

Twee versies van rittenregistratie

De werknemer kwam alsnog met een rittenregistratie op de proppen, maar die voldeed niet aan de voorschriften . Hij stelde deze registratie toen nog eens bij, waarna er belangrijke verschillen bleken te zitten tussen deze versie en de vorige. De werknemer vond desondanks dat hij op basis van de registratie aannemelijk had gemaakt dat zijn Lexus niet meer dan 500 privékilometers per kalenderjaar gemaakt had. Bovendien, zo stelde hij, had hij privé de beschikking over een veel luxere Audi Q7, waardoor het voor hem helemaal niet aantrekkelijk zou zijn om de Lexus voor privéritjes te gebruiken.

Naheffingsaanslag en boete

De rechter ging niet mee in deze redenatie van de werknemer en oordeelde dat de rittenregistratie simpelweg niet voldeed aan de wettelijke vereisten: hij was incompleet, achteraf opgesteld en er zaten belangrijke verschillen tussen de twee versies. Ook de Audi Q7 van de werknemer maakte geen verschil: dat de werknemer die in bezit had, bewees namelijk op geen enkele manier dat zijn Lexus van de zaak niet (te veel) privé gebruikt was. De werknemer moest de naheffingsaanslagen – en de opgelegde verzuimboete – alsnog betalen.
Rechtbank Den Haag, 12 april 2018, ECLI (verkort): 4365

De IB-maatregelen van Prinsjesdag op een rijtje

Prinsjesdag heeft weer veel nieuwe regels voor wat betreft de inkomstenbelasting (IB) voor belastingplichtigen gebracht... Lees meer >

Prinsjesdag heeft weer veel nieuwe regels voor wat betreft de inkomstenbelasting (IB) voor belastingplichtigen gebracht. Meest in het oog springend is natuurlijk de aanpassing naar beneden van de tarieven.

Naast de daling van de tarieven in de IB worden ook de tarieven waartegen aftrekposten kunnen worden meegenomen in de aangifte IB aangepast, denk aan de hypotheekrenteaftrek. Ook zijn de rendementspercentages voor box 3 voor 2019 verlaagd. Hieronder is een overzicht opgesteld van de meest belangrijke maatregelen voor particulieren en ondernemers. 

Wijzigingen op het gebied van de IB  

Voor de IB zijn onder andere de volgende wijzigingen aangekondigd:

Het BTW-nieuws van Prinsjesdag op een rijtje

Uit het Belastingplan 2019 dat op Prinsjesdag werd gepresenteerd, blijkt dat er op het gebied van de BTW een... Lees meer >

Uit het Belastingplan 2019 dat op Prinsjesdag werd gepresenteerd, blijkt dat er op het gebied van de BTW een aantal wijzigingen in de pijplijn zitten. In sommige gevallen zorgen deze voor een administratieve lastenverlichting, maar bij andere regelingen moeten ondernemingen juist maatregelen gaan treffen.

Om de uitvoering van het fiscale stelsel dat in 2019 volgens de plannen van Prinsjesdag moet ingaan te realiseren, wordt onder andere het lage BTW-percentage van 6% verhoogd naar 9%. Op die manier komt er financiële ruimte om de belastingen op inkomen te verlagen. Het belasten van consumptie is namelijk stabieler en heeft minder verstorende effecten dan de belasting op arbeidGoederen en diensten worden dus duurder voor particuliere consumenten. Voor ondernemingen die recht hebben op BTW-aftrek heeft de BTW-verhoging geen effect. Zij kunnen deze BTW aftrekken. Wel moeten ondernemers zich nu al voorbereiden op de tariefsverhoging. Dit zorgt dus voor enige administratieve rompslomp: boekhoudsystemen moeten tijdig worden aangepast en ook is het oppassen geblazen bij facturatie  en BTW-aangifte bij de jaarovergang. Als diensten pas na 1 januari 2019 worden geleverd, maar al vóór die datum worden vooruitbetaald, moeten ondernemingen bijvoorbeeld alsnog 3% BTW factureren . Bij vooruitbetalingen in 2018 van bijvoorbeeld seizoens- of concertkaarten voor evenementen die pas in 2019 plaatsvinden, geldt nog het 6% BTW-tarief.

In 2020 geen BTW-aangifte meer bij omzet lager dan € 20.000

De huidige kleineondernemersregeling of KOR (tool) die voor de BTW geldt, wordt per 1 januari 2020 gemoderniseerd. Het is de bedoeling dat per die datum de omzet bepalend zal zijn voor de (eventuele) toepassing van de KOR. Het wetsvoorstel gaat uit van een omzetgrens van € 20.000. Ondernemers die onder deze grens blijven, zijn geen BTW verschuldigd en hoeven geen BTW-aangifte (tool) te doen. Dat vermindert de administratieve verplichtingen (tool). Zo’n omzetcriterium wordt in bijna alle andere EU-landen al toegepast. Het bedrag van de omzet is in iedere lidstaat echter wel anders.  Ondernemers die voor toepassing van deze nieuwe facultatieve omzetgerelateerde vrijstellingsregeling van de BTW kiezen, veranderen dus van een BTW-belaste ondernemer (tool) in een BTW-vrijgestelde ondernemer. Het gaat dan om het leveren van goederen en diensten in Nederland én intracommunautaire leveringen vanuit Nederland. Daar staat tegenover dat voor de ondernemer die kiest voor de ‘nieuwe KOR’, de BTW die anderen in rekening hebben gebracht niet aftrekbaar is.

Ruimere werking sportvrijstelling in de BTW

De sportvrijstelling in de Nederlandse BTW geldt op dit moment voor organisaties zonder winstoogmerk, voor sportdiensten die zij aan leden leveren. Het Europese Hof van Justitie vond deze Nederlandse vrijstelling te beperkt. In het Belastingplan 2019 is daarom een verruiming van de huidige sportvrijstelling opgenomen, waardoor die ook gaat gelden voor diensten aan niet-leden. Het gevolg van de verruiming is dat de BTW-heffing voor het ter beschikking stellen van een sportaccommodatie komt te vervallen. Organisaties kunnen daardoor ook de voorbelasting op de kosten van en investeringen in de sportaccommodaties niet langer in aftrek brengen. Dit betekent een groot nadeel voor deze organisaties. Om dat te compenseren komt er een subsidieregeling voor sportverenigingen en een specifieke uitkering voor gemeenten.

Eenvoudiger BTW-regime in Europa voor elektronische diensten

Het kabinet heeft een voorstel voor de Wet implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel ingediend. Dit richtlijn voor e-commerce regelt de BTW tussen landen binnen de Europese Unie (EU). Een klein deel van deze EU-richtlijn moet met ingang van 1 januari 2019 al worden geïmplementeerd. Het gaat met name om vereenvoudiging van het BTW-regime voor telecommunicatie-, omroep- en elektronische diensten die van toepassing zijn sinds 1 januari 2015. BTW-verplichtingen voor kleinere ondernemers worden hierdoor eenvoudiger. De overige bepalingen van de richtlijn moeten zijn ingevoerd per 1 januari 2021.

Download de Miljoenennota 2019 (pdf) en het Belastingplan 2019 (pdf) direct op Rendement.nl, zodat u snel de achtergrondinformatie bij de hand heeft.

Nieuwe belastingtarieven 2019

Staatssecretaris Menno Snel van Financiën heeft tijdens Prinsjesdag het pakket Belastingplan 2019 ingediend bij de Tweede Kamer.... Lees meer >

Staatssecretaris Menno Snel van Financiën heeft tijdens Prinsjesdag het pakket Belastingplan 2019 ingediend bij de Tweede Kamer. Hierin staan diverse voorstellen voor aanpassing van de verschillende tarieven voor de ib en vpb.

Een van de voorstellen is geleidelijke invoering van een tweeschijvenstelsel in box 1 van de inkomstenbelasting. Nu heeft box 1 vier schijven. In 2021 geldt een basistarief van 37,05 procent voor het inkomen tot en met 68.507 euro (schijf 1). Het nieuwe toptarief komt dan uit op 49,5 procent voor het inkomen boven 68.507 euro (schijf 2). De besteedbare inkomens van veel belastingplichtigen nemen hierdoor toe. Een ander voorstel is afschaffing van de dividendbelasting met ingang van 2020.

Tarieven Vpb en IB
Het tarief in de vennootschapsbelasting wordt voor winsten tot en met 200.000 euro in stappen verlaagd van 20 procent naar 16 procent in 2021. Ook voor winsten boven 200.000 euro wordt het tarief (nu 25 procent) geleidelijk verlaagd: naar 22,25 procent in 2021. Verder wordt het tarief in box 2 van de inkomstenbelasting (aanmerkelijk belang) verhoogd van 25 procent naar 26,25 procent in 2020 en 26,9 procent in 2021.

Belastingrente erfbelasting
Voorgesteld wordt om voor de erfbelasting te bepalen dat degene die tijdig een verzoek om een voorlopige aanslag doet of tijdig aangifte doet, geen belastingrente hoeft te betalen wanneer de (voorlopige of definitieve) aanslag erfbelasting wordt vastgesteld overeenkomstig het ingediende verzoek of overeenkomstig de ingediende aangifte.

Aanpak constructies
Constructies die worden opgezet om doelbewust geen belasting te betalen – door geld uit te keren aan aandeelhouders of te schenken aan familieleden – worden aangepakt. Het wordt mogelijk deze belastingschulden te verhalen op bijvoorbeeld aandeelhouders die een winstuitdeling hebben gehad of familieleden die een schenking hebben gekregen. Deze invorderingsmaatregelen werken terug tot en met 18 september 2018.

Zeven wetsvoorstellen 
Het pakket Belastingplan bestaat dit jaar uit zeven wetsvoorstellen: Belastingplan 2019, Overige fiscale maatregelen 2019, Wet bronbelasting 2020, Fiscale vergroeningsmaatregelen 2019, Wet implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel, Wet modernisering kleineondernemersregeling en Wet aanpassing kansspelbelasting voor sportweddenschappen. Het wetsvoorstel Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking is geen onderdeel van het pakket Belastingplan 2019.

Vervolg 
De vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer gaat het pakket Belastingplan nu schriftelijk behandelen, zodat het half november plenair kan worden besproken. Hierna kan de Eerste Kamer ermee aan de slag.

Ondernemers boos over maatregelen kabinet

Ondernemers zijn boos over een fiscale maatregel die het kabinet op het laatste moment heeft genomen om de begroting... Lees meer >

Ondernemers zijn boos over een fiscale maatregel die het kabinet op het laatste moment heeft genomen om de begroting rond te krijgen. Meerdere belangenverenigingen voor ondernemers hebben zich inmiddels fel tegen de plannen uitgesproken.

Het gaat om het besluit om directeuren-grootaandeelhouders belasting te laten betalen als ze meer dan 500.000 euro van hun eigen bv lenen, bijvoorbeeld om – tegen gunstige voorwaarden – een huis te financieren. Volgens Hans Biesheuvel, de voorzitter van Ondernemend Nederland, komt dat uit de lucht vallen.

Reactie MKB Nederland
Ook MKB-Nederland zag de maatregel niet aankomen. “Die is er, ik zou bijna zeggen, tussengefietst”, zei voorzitter Jacco Vonhof tegen radiozender BNR. “Als je ziet wat dat betekent voor heel veel ondernemers, daar is gewoon niet over nagedacht.”
De organisatie denkt dat het plan ervoor zal zorgen dat er minder geïnvesteerd zal worden in ondernemingen, wat de groei en werkgelegenheid kan remmen.

Ruim 23.000 leningen
In de praktijk moeten 23.000 directeuren-grootaandeelhouders door het besluit van het kabinet belasting gaan betalen, stelt VNO-NCW. Het gaat om leningen die ze bijvoorbeeld gebruiken in aanvulling op hun loon of voor een hypotheek. Inmiddels hebben VNO-NCW en MKB-Nederland een gesprek aangevraagd met de staatssecretaris van Financiën om te praten over het plan en “de negatieve effecten die kunnen optreden in bestaande situaties”. Ze zullen binnenkort om tafel zitten voor overleg.

Plannen naar aanleiding van Prinsjesdag 2018

Er gaat een regeling komen om de leningen van de directeur groot aandeelhouder (DGA). ... Lees meer >

Er gaat een regeling komen om de leningen van de directeur groot aandeelhouder (DGA). Gebleken is namelijk dat veel aanmerkelijkbelanghouders (ab-houders bezit 5% of meer aandelen in een besloten vennootschap) grote bedragen lenen van hun eigen B.V.

Hoe werken deze leningen?
Door te lenen van de eigen vennootschap is het mogelijk de heffing in box 2 ( dividenduitkering) box 2 langdurig uitstellen en soms zelfs voorkomen. Omdat de controle op deze opnamen door de belastingdienst er bewerkelijk is heeft het kabinet nu aangekondigd met een specifieke maatregel te komen die maakt dat lenen boven een bedrag van € 500.000 van de eigen vennootschap gaat ontmoedigen.

Hoe de regeling er precies uit gaat zien is nog niet bekend
Er zijn wel enkele zaken bekend gemaakt:

  • De maatregelen zullen op 1 januari 2022 in werking treden.
  • Als de totale som van schulden van de ab-houder aan zijn eigen vennootschap meer dan € 500.000 bedraagt, wordt dat meerdere als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen (box 2).
  • Er zal een overgangsregeling komen voor bestaande eigenwoningschulden aan de eigen vennootschap. Daarbij zal de mogelijkheid gebonden gaan worden om de schulden boven € 500.000 af te lossen/terug te brengen zonder box 2 heffing. Dit kan dan in 3 jaar gezien de datum inwerkingtreding.

Dividendbelasting in beweging
Ook de dividendbelasting over dividenduitkeringen wordt ongunstiger voor de ondernemer, deze is nu nog met 25% belast maar ook onderwerp van discussie.

Onderneming en Bewindvoering

Meer ondernemers en zzp’ers komen in de knel door financiële problemen. De gemiddelde schuldenlast van een ondernemer bij aanmelding... Lees meer >

Meer ondernemers en zzp’ers komen in de knel door financiële problemen. De gemiddelde schuldenlast van een ondernemer bij aanmelding bij de schuldhulpverlening is inmiddels opgelopen tot € 142.000. Bewindvoerders krijgen in toenemende mate verzoeken om hulp van ondernemers met schulden. Bij deze stijgende trend moet worden bedacht dat als het tot een intake komt, er dan veelal sprake is van een voorafgaande periode van drie jaar overleven.

Vroege signalering noodzakelijk
Daarom is volgens deskundigen in de ondernemingsadvisering het inzetten op vroegsignalering en het geven van voorlichting zo belangrijk, en ook zou het taboe op schulden eraf moeten. Er blijkt bij ondernemers sprake van veel schaamte: financiële problemen koppelt men immers snel aan slecht ondernemerschap. Het is juist deze veronderstelling die het tijdig zoeken van deskundige hulp belemmert.

Oorzaken financiële problemen ondernemers
De oorzaken van financiële problemen van ondernemers zijn heel divers. Soms lopen privé en zaak door elkaar heen. Soms is er ruzie met zakelijke partners, soms gaat het om het ontbreken van ondernemersvaardigheden. Belastingschulden – zoals de niet tijdige afdracht van omzetbelasting – kunnen al snel voor toenemende problemen zorgen. Soms speelt ook een ingrijpend life event waardoor de focus op het ondernemen verdwijnt. Het kan elke ondernemer gebeuren, ook de meer succesvolle. Er zijn op zichzelf wel de nodige tools beschikbaar om ondernemers te helpen, zoals een dwangakkoord, waarmee een ondernemer in betalingsmoeilijkheden naar de schuldeisers kan gaan. Het ‘payrollarrest’ van de Hoge Raad (HR 12-08-2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7799)  heeft een enorme invloed gehad op het ontstaan en groei van dit dwangakkoord. Beter nog is vroegsignalering die voorkomt dat de schulden ontstaan of zo hoog worden.

Advisering ondernemers in betalingsmoeilijkheden
Iedereen die recht heeft op schuldhulpverlening, moet dat ook kunnen krijgen, dus ook ondernemers. Indien een beschermingsbewind nodig is om dat traject te ondersteunen, dan zou ook dat mogelijk moeten zijn. Het is nu – ondanks de komst van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening – bij iedere gemeente op een andere manier geregeld en men is afhankelijk van de aanwezige kennis. Een ander praktisch probleem waar vereenvoudiging gewenst is, zijn de toeslagen. Er zijn ondernemers in de betalingsproblemen die recht hebben op toeslagen, maar deze niet hebben aangevraagd. Men zegt door slechte ervaringen met terugvorderingen nooit meer een toeslag te willen. Een geringe misstap in de toepassing van de toeslagen wordt algauw als fraude beschouwd waardoor men een boete riskeert. Zelfs zelfredzame en probleemoplossingsgerichte mensen als ondernemers snappen het systeem niet. Deze administratie veroorzaakt stress en kost tijd die beter aan het ondernemen besteed kan worden.

Bewindvoerders en ondernemers met financiële problemen
en beschermingsbewind en een zelfstandige onderneming lijkt haaks op elkaar te staan: men is wel-of-niet-zelfredzaam. Maar het is de vraag of die klassieke tegenstelling nog wel zo vanzelfsprekend is, als men de focus legt op de tijdelijke aard van de meeste problemen en op goede doorstartmogelijkheden in ieders belang. De schuldhulpverlening laat die terughoudendheid meer varen en gaat samenwerken met beschermingsbewindvoerders. Want ook voor ondernemers kan een (tijdelijk) bewind een prima instrument zijn om uit de betalingsproblemen te komen.