Nieuws

Nieuw maximumdagloon in rekenregels per 1 juli 2018

Per 1 juli 2018 gaat het wettelijk minimumloon omhoog en dat heeft gevolgen voor het maximumdagloon. ... Lees meer >

Per 1 juli 2018 gaat het wettelijk minimumloon omhoog en dat heeft gevolgen voor het maximumdagloon. Ook de nieuwe regels voor het berekenen van de verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen per 1 juli zijn onlangs bekendgemaakt.

Het wettelijk minimumloon stijgt per 1 juli 2018 met 1,03% naar € 1.594,20 bruto per maand bij een fulltime werkweek. Het dagloon van de uitkeringen WAO/WIA, Werkloosheidswet (WW) en de Ziektewet (ZW) stijgt met hetzelfde percentage. Het maximumdagloon is daardoor per 1 juli 2018 € 211,42 per dag: € 55.180,62 per jaar. Het maximumpremieloon voor de werknemersverzekeringen en maximumbijdrageloon voor de Zorgverzekeringswet verandert per 1 juli niet. Dat blijft heel 2018 € 210,05 per dag en € 54.614 op jaarbasis. Dit alles staat in de rekenregels per 1 juli 2018.

Werkgever moet uitkering vaak aanvullen

Werkgevers krijgen te maken met het maximumdagloon als een werknemer een uitkering krijgt op basis van de Wet arbeid en zorg (WAZO). Daarbij kan het onder meer gaan om een uitkering voor zwangerschaps- en bevallingsverlof, pleegzorgverlof of adoptieverlof. UWV keert in die situaties nooit meer uit dan het maximumdagloon. In veel (collectieve) arbeidsovereenkomsten staat dat de werkgever dit maximumdagloon moet aanvullen tot 100% van het loon van de werknemer. Staat er niets in deze overeenkomsten, dan is die aanvulling niet verplicht.
Ook eigenrisicodragers voor de WGA en ZW hoeven geen hogere uitkering te betalen dan (een vast percentage van) het maximumdagloon.

Niet alles is gewijzigd

De rekenregels per 1 juli 2018 bestaan uit een beschrijving van de veranderingen en acht bijlagen:

  • bijlage I.1 – de (premie)grenzen (ongewijzigd ten opzichte van 1 januari 2018);
  • bijlage I.2 – de procentuele mutaties van de premies in 2018 ten opzichte van 2017 (ongewijzigd);
  • bijlage II.1 – overzicht van de AOW- en ANW-uitkeringen die worden afgeleid van het referentieminimumloon;
  • bijlage II.2 – de referentieminimumjeugdlonen;
  • bijlage II.3 – de normbedragen voor de Toeslagenwet;
  • bijlage II.4 – de AOW-/ANW-uitkeringen per 1 juli 2018;
  • bijlage II.5 – de bedragen voor de bijstand voor pensioengerechtigden per 1 juli 2018;
  • bijlage II.6 – de kwartaalbedragen voor de kinderbijslag per 1 juli 2018.

Minder loonheffingen voor studerende vakantiekrachten

Nu de eindexamenleerlingen klaar zijn voor hun vakantiebaantje, kan de stapel met formulieren ‘Model opgaaf gegevens voor de loonheffingen... Lees meer >

Nu de eindexamenleerlingen klaar zijn voor hun vakantiebaantje, kan de stapel met formulieren ‘Model opgaaf gegevens voor de loonheffingen (studenten- en scholierenregeling)’ weer uit de kast. Wanneer kan uw organisatie deze formulieren ook alweer gebruiken en wat betekent dit voor de verloning?

Voor studenten en scholieren die voor uw onderneming vakantiewerk komen doen, hoeft uw organisatie soms minder of geen loonbelasting/premie volksverzekeringen te berekenen. Het is onder voorwaarden namelijk toegestaan om in de loonaangifte het kalenderkwartaal als loontijdvak te gebruiken in plaats van het werkelijke tijdvak waarover de werknemer wordt verloond. Hierdoor hoeft de salarisadministrateur minder – of zelfs helemaal geen – loonbelasting/premie volksverzekeringen bij de werknemer in te houden.

Alleen bij kinderbijslag of studiefinanciering

Om deze studenten- en scholierenregeling te mogen toepassen, moet wel aan een paar administratieve eisen worden voldaan. Zo moet de werknemer aan het begin van het kalenderkwartaal recht hebben op een bijdrage uit één van de volgende drie regelingen:

  • kinderbijslag volgens de Algemene kinderbijslagwet;
  • een gift of prestatiebeurs volgens de Wet studiefinanciering 2000 of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
  • een tegemoetkoming in de studiekosten volgens de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

Ook voor buitenlandse werknemers mogelijk

De studenten- en scholierenregeling kan ook gelden voor buitenlandse werknemers. Het moet dan gaan om een scholier of student uit een ander land van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, Zwitserland of Liechtenstein. Deze scholier of student moet ook beschikken over een International Student Identity Card (ISIC). Die moet de scholier of student zelf aanvragen. Uw organisatie moet een kopie van de ISIC bewaren in de loonadministratie.

Op schriftelijk verzoek van de werknemer

De werknemer moet zelf een schriftelijk verzoek bij uw onderneming indienen als hij wil dat uw organisatie de studenten- en scholierenregeling voor hem toepast. Dat kan via het Model opgaaf gegevens voor de loonheffingen (studenten- en scholierenregeling) (pdf). Om de regeling te mogen toepassen, moet het verzoek bij de loonadministratie worden bewaard. Ook het beëindigen van de regeling moet schriftelijk gebeuren. Dit kan alleen met ingang van een nieuw kalenderkwartaal

Werknemer eist aanzegvergoeding nadat hij zelf vertrekt

Komen een werkgever en werknemer mondeling een contractverlenging overeen en ziet de werknemer daar later van af, dan bestaat... Lees meer >

Komen een werkgever en werknemer mondeling een contractverlenging overeen en ziet de werknemer daar later van af, dan bestaat de kans dat de werkgever alsnog de aanzegvergoeding moet betalen.

Uiterlijk een maand voordat een tijdelijke arbeidsovereenkomst van zes maanden of langer afloopt, moet de werkgever aan de werknemer laten weten of hij zijn contract wil verlengen. Dit staat bekend als de aanzegverplichting. De melding aan de werknemer moet schriftelijk gebeuren (al kan dit onder omstandigheden niet nodig zijn). Leeft een werkgever de aanzegplicht niet na – hij zegt niet of te laat aan – dan is hij de aanzegboete verschuldigd. Recent verplichtte het hof in Arnhem een werkgever de boete te betalen, terwijl de werkgever de arbeidsovereenkomst juist wilde verlengen en beweerde dat hierover een akkoord bestond.

Werkgever vindt betaling aanzegboete onredelijk

Een werkneemster was begin november 2016 in dienst getreden, met een halfjaarcontract dat op 6 mei 2017 eindigde. Volgens de werkgever bood hij in een gesprek met de werkneemster op 30 maart 2017 een tweede contract aan, onder dezelfde voorwaarden. De werkneemster zou daarmee hebben ingestemd. Op 24 mei 2017 kwam de werkneemster hierop terug en meldde zij het contract toch niet te willen verlengen. Na uitdiensttreding claimde ze de aanzegboete. De werkgever vond dat hij deze niet hoefde te betalen omdat dit niet redelijk zou zijn en er mondeling een voortgezet dienstverband was overeengekomen, dat de werkneemster (onregelmatig) had opgezegd.

Schriftelijke bevestiging had problemen voorkomen

De zaak belandde uiteindelijk bij het gerechtshof. Het hof stelde allereerst vast dat de werkgever verplicht was om aan te zeggen vóór 7 april 2017 en dat hij dit niet had gedaan. De werkgever had er goed aan gedaan om wel schriftelijk zijn intenties weer te geven. Nu kon hij alleen terugvallen op een mondelinge afspraak die volgens de werkneemster niet gemaakt (en zelfs niet besproken) was. De onduidelijkheid over het contract was voor de werkneemster de reden om niet te verlengen. Het hof stipte aan dat de schriftelijke aanzegplicht juist in het leven is geroepen om onduidelijkheid over een contractverlenging tijdig weg te nemen, zodat een werknemer zo nodig nieuw werk kan zoeken. Ook als een werkgever wél wil verlengen, is schriftelijke bevestiging dus van belang.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 mei 2018, ECLI (verkort): 4783

Nieuwe accountancywet door Eerste Kamer afgehamerd

De Wet aanvullende maatregelen accountantsorganisaties is aangenomen door de Eerste Kamer en bekendgemaakt in de Staatscourant... Lees meer >

De Wet aanvullende maatregelen accountantsorganisaties is aangenomen door de Eerste Kamer en bekendgemaakt in de Staatscourant. Het wetsvoorstel, dat er onder andere toe moet leiden dat accountantscontroles verbeteren, werd als hamerstuk afgedaan. De beoogde inwerkingtreding is 1 juli 2018.

De nieuwe aanvullende wet gaat in op governance van accountantsorganisaties en de bevoegdheden van de AFM. Eerder werd aangegeven dat de Wet aanvullende maatregelen accountantsorganisaties  niet per 1 januari 2018 maar per 1 juli 2018 in werking treedt. Het uitstel kwam onder andere in reactie op het rapport  ‘Kwaliteit OOB-accountantsorganisaties onderzocht’, van de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Daaruit bleek  dat  de kwaliteit van de onderzochte wettelijke controles  bij de Big 4-accountantsorganisaties nog niet helemaal goed was.

Accountants moeten publiek belang vooropstellen

Het wetsvoorstel gaat in op een verandering van gedrag en cultuur, waarbij accountants het publiek belang van de wettelijke controle blijven vooropstellen.  In het nieuwe wetsvoorstel staan nog twee andere aanvullende maatregelen:

  • De invoering van een stelsel van onafhankelijk intern toezicht voor accountantsorganisaties die werkzaam zijn voor organisaties met een openbaar belang (OOB-accountantsorganisaties).
  • Een geschiktheidseis voor dagelijks beleidsbepalers en leden van het orgaan dat belast is met het interne toezicht.

Nieuwe termijn om klacht over accountant in te dienen

Het wetsvoorstel is ook aangevuld met een nieuwe termijn waarbinnen een klacht kan worden ingediend als een accountant zich niet aan de wet- en regelgeving heeft gehouden. Op dit moment kan er drie jaar na een wettelijke controle een klacht worden ingediend bij de accountantskamer. Deze kamer neemt de klacht niet meer in behandeling als er na het moment van dit foute handelen zes jaar is verstreken. In het aangenomen wetsvoorstel  is deze termijn verruimd tot tien jaar. De reden daarvoor is dat het soms langer duurt voordat financiële fraude of misleiding aan het licht komen.

Wel overgangsbepaling bij invoering nieuwe klachtentermijn

De verlenging van de verjaringstermijn kent overigens wel een overgangsbepaling. Deze overgangsbepaling stelt dat de nieuwe termijn niet geldt voor foutief handelen of een nalatigheid van een accountant als het recht om daarover een klacht in te dienen volgens de oude regeling al was vervallen. De overgangsbepaling voorkomt dus dat een zaak die al verjaard zou zijn door de verlengde verjaringstermijn alsnog herleeft. De verlenging van de verjaringstermijn én de overgangsbepaling zijn opgenomen in de Wijzigingswet financiële markten en hiervan is de beoogde ingangsdatum 1 juli 2018 evenals de Wet aanvullende maatregelen accountantsorganisaties.

Ex-bestuurder moet kennelijk behoorlijk bestuur weerleggen

Op basis van de Invorderingswet is een ex-bestuurder aansprakelijk voor belastingschulden die onder zijn bestuur ontstaan zijn... Lees meer >

Op basis van de Invorderingswet is een ex-bestuurder aansprakelijk voor belastingschulden die onder zijn bestuur ontstaan zijn. Hoewel een ex-bestuurder geen melding van betalingsonmacht kan doen, is hij volgens Rechtbank Den Haag aansprakelijk als hij niet kan aantonen dat geen sprake is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur.

In de desbetreffende zaak had de Belastingdienst de ex-bestuurder van een bv aansprakelijk gesteld voor de openstaande BTW-schulden van het derde en vierde kwartaal 2015. De ex-bestuurder was het hier niet mee eens omdat hij de betalingsonmacht voor het derde kwartaal had gemeld. Voor het vierde kwartaal kon hij als ex-bestuurder geen melding doen. De rechtbank oordeelde dat de ex-bestuurder voor zowel het derde als het vierde kwartaal terecht aansprakelijk was gesteld.

Bestuurder moet verzending bewijzen

Volgens de rechtbank had de ex-bestuurder voor het derde kwartaal niet voldaan aan de meldingsplicht. De Belastingdienst had de ontvangst van de melding namelijk ontkend en de ex-bestuurder kon niet bewijzen dat hij de melding betalingsonmacht daadwerkelijk had verzonden. Hij kon de aansprakelijkheid voor het derde kwartaal nu alleen ontlopen als hij kon aantonen dat het niet aan hem te wijten was dat niet voldaan was aan de meldingsplicht. Hierin slaagde hij niet.

Ex-bestuurder aansprakelijk voor schulden

Voor het vierde kwartaal bevestigde de rechtbank dat door een ex-bestuurder geen melding betalingsonmacht kan worden gedaan. Dit betekende echter niet dat de ex-bestuurder niet aansprakelijk gesteld kan worden voor belastingschulden die onder zijn bestuur zijn ontstaan. Om aansprakelijkheid te voorkomen moest de ex-bestuurder aantonen dat het niet betalen van de belastingschulden geen gevolg was van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. De rechtbank vond dat de ex-bestuurder daarin niet was geslaagd.
Rechtbank Den Haag, 9 april 2018, ECLI (verkort) 4023

Compensatie transitievergoeding per 1 april 2020

Werkgevers kunnen de compensatie voor de transitievergoeding bij ontslag vanwege langdurige ziekte op zijn vroegst per 1 april 2020... Lees meer >

Werkgevers kunnen de compensatie voor de transitievergoeding bij ontslag vanwege langdurige ziekte op zijn vroegst per 1 april 2020 aanvragen. Dit blijkt uit het concept van de Regeling compensatie transitievergoeding dat onlangs is gepubliceerd.

De ingangsdatum van de compensatie voor de transitievergoeding is al een aantal keer uitgesteld. Uit het concept van de Regeling compensatie transitievergoeding blijkt nu dat UWV de aanvraag van de compensatie op zijn vroegst per 1 april 2020 mogelijk acht. Voor de compensatie van de transitievergoeding maakt het niet uit hoe de arbeidsovereenkomst is geëindigd: door opzegging, ontbinding, het sluiten van een beëindigingsovereenkomst of het niet verlengen van een tijdelijk contract.

Compensatie binnen zes maanden aanvragen

De werkgever moet de compensatie straks binnen zes maanden na betaling van de volledige (transitie)vergoeding aanvragen bij UWV. Bij zijn aanvraag moet hij de volgende gegevens verstrekken:

  • de arbeidsovereenkomst van de werknemer;
  • documenten waaruit blijkt dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid, zoals de beschikking van UWV met toestemming voor de opzegging of de beëindigingsovereenkomst bij ontslag met wederzijds goedvinden;
  • als de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd door opzegging via UWV: een verklaring van de werkgever dat de werknemer ziek was op het moment dat de arbeidsovereenkomst eindigde, de periode waarin de werknemer ziek was en de naam van de bedrijfsarts;
  • loonstroken waaruit blijkt hoeveel loon de werkgever tijdens ziekte heeft doorbetaald;
  • de gegevens die gebruikt zijn om de hoogte van de transitievergoeding te berekenen;
  • bewijs van betaling van de (transitie)vergoeding.

Aanvraag compensatie met terugwerkende kracht

Een werkgever kan ook met terugwerkende kracht in aanmerking komen voor de compensatie. Dit kan voor een (transitie)vergoeding die hij sinds 1 juli 2015 heeft betaald aan een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is beëindigd na twee jaar ziekte. De aanvraag hiervoor kan de werkgever volgens de regeling vanaf 1 april 2020 tot en met 30 september 2020 indienen.

Ziektedatum en naam van bedrijfsarts bewaren

Voor een werkgever die met terugwerkende kracht een compensatie wil ontvangen, kan bij de aanvraag de beschikking worden gebruikt die UWV heeft gegeven voor de aanvraag van een WIA- of ZW-uitkering. Als UWV deze informatie niet heeft, moet de werkgever een verklaring afleggen dat de werknemer ziek was bij het einde van de arbeidsovereenkomst. Hij moet daarbij de datum vermelden waarop de werknemer ziek werd en de naam van de bedrijfsarts die de ziekte heeft vastgesteld. Voor een werkgever is het dus verstandig om deze zaken (voor de zekerheid) in zijn administratie te bewaren.
Overigens moeten de Tweede en Eerste Kamer nog instemmen met het wetsvoorstel voor de compensatie van de transitievergoeding. De plannen zijn dus nog niet definitief.

Kinderalimentatie in samengestelde gezinnen

Gezinssituaties worden steeds ingewikkelder. ... Lees meer >

Gezinssituaties worden steeds ingewikkelder. Veel relaties/huwelijkGezinssituaties worden steeds ingewikkelderen stranden en er worden vervolgens weer nieuwe relaties/huwelijken aangegaan. Vaak zijn ook kinderen aanwezig in deze gezinnen.

We spreken over een samengesteld gezin, indien minimaal één van de ouders een kind heeft uit een vorige relatie. De situatie kan uiteraard zeer complex worden indien beide ouders één of meerdere kinderen uit een vorige relatie hebben, ze samen één of meerdere gezamenlijke kinderen krijgen en hun ex-partner(s) ook weer kinderen krijgen in hun nieuwe relatie, dan wel de nieuwe partner van die ex al eigen kinderen heeft.

Consequenties kinderalimentatie
Los van alle emotionele perikelen die dit met zich kan brengen, ontstaat ook een ingewikkelde situatie om de kinderalimentatie juist te berekenen.
Voor het berekenen van de juiste kinderalimentatie zal eerst de behoefte van het kind bepaald moeten worden. De behoefte wordt bepaald aan de hand van het netto gezinsinkomen van de eigen ouders van het kind, kort voor het uiteengaan van die ouders. Vervolgens zal voor het invullen van die behoefte gekeken moeten worden wie onderhoudsplichtig is voor het kind. Onderhoudsplichtig zijn sowieso de eigen ouders van het kind, daarnaast kan ook de stiefouder onderhoudsplichtig zijn indien het kind tot het gezin behoort en de stiefouder is getrouwd met de echte ouder. Zo kan het gebeuren dat iemand voor kinderen uit twee gezinnen onderhoudsplichtig is, waar drie situaties aan de orde zijn voor het berekenen van de behoefte en de draagkracht. Stel een man is gescheiden, hij heeft bij zijn ex-vrouw twee kinderen. Hij trouwt opnieuw met een vrouw die al twee kinderen heeft uit een eerdere relatie en die bij hen wonen en samen krijgen ze nog een kind. Deze man is dus onderhoudsplichtig voor alle vijf de kinderen. Voor het bepalen van de behoefte van deze kinderen is het inkomen van de eigen ouders van alle kinderen bepalend, er wordt dus drie keer een behoefte bepaald. Voor het bepalen van de hoogte van de door zijn nieuwe vrouw te ontvangen kinderalimentatie voor haar twee kinderen uit haar vorige relatie, dienen we te beschikken over de inkomensgegevens van zowel de beide ouders van die kinderen, als het inkomen van de man uit deze casus. Vaak is het lastig om alle financiële gegevens boven water te krijgen, want niet iedereen zit er op te wachten zijn inkomensgegevens kenbaar te maken aan de ex van zijn partner. Het niet overleggen van financiële gegevens kan echter vergaande consequenties hebben. De rechter kan besluiten het inkomen te schatten.

Omdat de behoefte van een kind wordt bepaald aan de hand van het inkomen van zijn eigen ouders, kan het voorkomen dat kinderen in een zelfde gezin een verschillende behoefte hebben. Het kan dus ook voorkomen dat de draagkracht van een ouder niet gelijk over al zijn kinderen wordt verdeeld, maar naar rato van de behoefte van de kinderen, zodat voor het ene kind meer geld aangewend kan worden dan voor het andere. Dit geeft natuurlijk een vreemde situatie waarvan je mag hopen dat dit in de praktijk wel naar redelijkheid opgelost wordt zodat niet bij wijze van spreken het ene kind een magnum krijgt en het andere kind het moet doen met een raketje.

 

Bron: Actuele Artikelen

Aanslag inkomstenbelasting 2017

Mogelijk heeft u uw definitieve aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2017 al ontvangen en wordt er bij u belasting... Lees meer >

Mogelijk heeft u uw definitieve aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2017 al ontvangen en wordt er bij u belasting geheven over vermogen dat u in box 3 heeft aangegeven.
Dan is onderstaand bericht voor u van belang.

Bezwaar oudere jaren
Voor de aanslagen over het jaar 2013 tot en met 2016 lopen er zogenaamde massaal bezwaarprocedures. Bovendien was individueel bezwaar niet nodig.

Bezwaar 2017
Voor jaar 2017 geldt er ( nog geen) zogenaamd automatisch collectief massaal bezwaar procedure tegen de box 3-heffing. Dit is onlangs bekend gemaakt.
De wetgever heeft zich echter gerealiseerd dat de belastingdienst inmiddels al definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2017 heeft opgelegd en tijdig bezwaar indienen mogelijk niet meer mogelijk is. Daarom is bekend gemaakt dat bezwaarschriften  die worden  ingediend vóór  15 juli 2018 en die zijn gericht tegen de berekening van de box 3-heffing over het jaar 2017 behandeld worden alsof een tijdig ingediend is bezwaarschrift.

Wellicht toch nog collectief bezwaar
Zou er toch een collectief massaal bezwaar procedure komen dat dient er vanaf het jaar 2017 toch individueel bezwaar te worden aangetekend.
Is de definitieve aanslag nog niet opgelegd dan dient u binnen 6 weken na de datum genoemd op de definitieve aanslag (de dagtekening) het bezwaar ingediend hebben.

Bron: Actuele Artikelen

Organisaties starten petitie tegen afschaffing dividendbelasting

Organisaties als FNV, Milieudefensie en Oxfam Novib houden een petitie tegen het afschaffen van de dividendbelasting en willen daarover... Lees meer >

Organisaties als FNV, Milieudefensie en Oxfam Novib houden een petitie tegen het afschaffen van de dividendbelasting en willen daarover een wetsvoorstel indienen.

Het samenwerkingsverband heet Tax Justice Nederland en is donderdag begonnen met een campagne rondom de petitie.

“1,5 miljard euro weggeven aan buitenlandse aandeelhouders en buitenlandse belastingdiensten, jaar in, jaar uit. Niemand heeft daarom gevraagd, behalve de lobbyisten van Shell, Unilever en VNO-NCW”, aldus Arnold Merkies van Tax Justice. “Nu blijkt de onderbouwing bovendien te zijn gebaseerd op een rapport dat achter de schermen door deze partijen is gefinancierd.”

De organisaties denken ook niet dat het besluit tot meer banen leidt en dat afschaffing de belastingconcurrentie tussen landen versterkt. “Nederland heeft internationaal al een slecht imago als belastingparadijs.”

Het dividend is het gedeelte van de winst dat een bedrijf uitbetaalt aan zijn aandeelhouders. Op die uitkering wordt een belasting geheven van 15 procent. Buitenlandse beleggers kunnen de heffing niet verrekenen, althans niet met de Nederlandse fiscus. Afschaffing kan het dus aantrekkelijker voor hen maken om in Nederlandse beursgenoteerde bedrijven te beleggen.

Bron: NU.nl

EU stelt vanaf juli extra tarieven in op Amerikaanse producten

De Europese Unie zal vanaf juli extra importbelasting heffen op producten uit de VS als vergelding voor de Amerikaanse... Lees meer >

De Europese Unie zal vanaf juli extra importbelasting heffen op producten uit de VS als vergelding voor de Amerikaanse importheffingen op staal en aluminium.

Er is binnen de EU brede steun voor het plan, meldt de Europese Commissie woensdag. Voor het einde van juni zou de procedure bij de Wereldhandelsorganisatie (WTO) moeten zijn afgerond, zodat de heffingen in juli kunnen ingaan.

Het gaat om 2,8 miljard euro aan import vanuit de Verenigde Staten. Onder meer op pindakaas, motorboten, motoren en rijst uit de VS gaat een extra tarief van 25 procent gelden. De volledige lijst is op de site van de Europese Commissie te vinden.

Volgens de EU raken de Amerikaanse importheffingen 6,4 miljard euro aan Europese export. Het verschil van 3,6 miljard euro wordt mogelijk op een later moment geschikt via de WTO, aldus de commissie.

Illegale beslissing

Eurocommissaris Cecilia Malmström (Handel) noemt de maatregelen van de EU een proportioneel antwoord op de eenzijdige en illegale beslissing van de VS. “Verder is de reactie van de EU volledig in overeenstemming met internationale handelswetten. Het spijt ons dat de Verenigde Staten ons geen andere optie heeft gegeven dan de EU-belangen te bewaken.”

Op 31 mei liet de Amerikaanse president Donald Trump na een tijdelijke vrijstelling van twee maanden alsnog importheffingen ingaan op staal en aluminium uit de Europese Unie, Canada en Mexico. Om staal en aluminium te importeren, wordt nu respectievelijk 25 procent en 10 procent importbelasting betaald.

Volgens de Amerikaanse regering vormt geïmporteerd staal een veiligheidsrisico, maar analisten twijfelen hieraan.

Bron: NU.nl

De Belastingdienst voldoet pas over een jaar aan privacywet

De Belastingdienst denkt pas over een jaar aan de nieuwe privacywet te kunnen voldoen... Lees meer >

De Belastingdienst denkt pas over een jaar aan de nieuwe privacywet te kunnen voldoen. Dat schrijft staatssecretaris Menno Snel (D66) in antwoord op Kamervragen van Pieter Omtzigt. De CDA’er stelde vragen nadat bleek dat de deadline voor de overheidsinstantie niet zou worden gehaald.

De nieuwe privacywet ging 25 mei van kracht. De Europese verordening kwam niet als een duveltje uit een doosje. Het voorstel stamt al uit 2012. Na jaren onderhandelen werden de regels begin 2016 aangenomen. Daarop volgde nog een implementatieperiode van ruim twee jaar.

Naast de fiscus, komen meer overheidsorganenen er niet best vanaf wat hun voorbereiding betreft. Uit een rondgang van RTL bleek dat op de deadline van eind mei tien van de twaalf ministeries nog niet klaar zijn voor de wet. Alleen de ministeries van Defensie en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hadden hun zaakjes op orde. De toezichthouder zelf, de Autoriteit Persoonsgegevens, maakt zich nog zorgen over z’n budget.

Verwerkingsregister

Uit de antwoorden van Snel blijkt dat de Belastingdienst wel al een verwerkingsregister heeft gemaakt – een vereiste uit de wet. In zo’n register staat welke gegevens allemaal worden verwerkt en op welke wettelijke grondslag dat gebeurt. Ook is “extra capaciteit” voor verzoeken tot inzage en correctie.

In de privacywet staat dat mensen kunnen opvragen welke gegevens een organisatie precies over ze heeft. Ze krijgen daar dan een overzicht van per mail of post. Dit stond al in de vorige privacywet uit 2000: de wet bescherming persoonsgegevens. Maar toen een advocaat van het Amsterdamse kantoor Boekx de proef op de som nam, bleek de fiscus niet in staat om hem een overzicht van zijn gegevens te sturen. Pas nadat de rechtbank de advocaat gelijk gaf, viel er in januari van dit jaar een dikke envelop met zijn gegevens op z’n deurmat.

Bron: nrc

Wijzingen 1 juli 2018

Per 1 juli gaat er weer het nodige veranderen. Waar moet u als werkgever rekening mee houden?... Lees meer >

Per 1 juli gaat er weer het nodige veranderen. Waar moet u als werkgever rekening mee houden?
Denk aan bijvoorbeeld aan de deadline voor het tijdig opnemen van vakantiedagen en het wijzigen van het minimumloon, …

Arbowet: overgangsperiode ten einde

Vorig jaar is per 1 juli 2017 een nieuwe Arbowet in werking getreden. Zo heeft bijvoorbeeld iedere werknemer voortaan het recht om anoniem en zonder toestemming van de werkgever de bedrijfsarts te raadplegen, ook als er nog geen sprake is van verzuim of klachten. Er is wel een overgangsperiode van één jaar voor werkgevers, zodat men de bestaande contracten met de arbodienst aan kan passen. Tijdens deze overgangsperiode mogen bestaande contracten dus nog blijven doorlopen of kunnen bestaande contracten voorzien worden van een aanvulling. Deze overgangsperiode loopt op 1 juli 2018 ten einde en vanaf dan moeten alle werkgevers voldoen aan de nieuwe eisen van de Arbowet.

Aanscherping controle ZZP’ers

Als u een derde inhuurt of u zichzelf beschikbaar stelt als onafhankelijk dienstverlener, bestaat het risico dat de fiscus de overeenkomst van opdracht aanmerkt als dienstbetrekking. Dit is met name het geval bij langer lopende opdrachten. U kunt dit voorkomen door te werken met een modelovereenkomst.

Handhaving

De fiscus heeft bekendgemaakt dat voorlopig geen naheffingen en boetes volgen als er ten onrechte geen belastingen en premies worden ingehouden, terwijl er toch sprake is van een dienstbetrekking. Bij kwaadwillenden handhaaft de Belastingdienst wel. Per 1 juli 2018 richt de handhaving zich niet langer alleen op de ernstigste gevallen, maar ook op andere kwaadwillenden.

De Belastingdienst kan handhaven bij kwaadwillenden. Hiervan is sprake als de Belastingdienst de volgende drie criteria kan bewijzen:

  • er is sprake van een (fictieve) dienstbetrekking;
  • er is sprake van evidente schijnzelfstandigheid;
  • er is sprake van opzettelijke schijnzelfstandigheid.

 

Deadline wettelijke vakantiedagen

Hebben uw werknemers nog wettelijke vakantiedagen staan van 2017, dan moeten deze in de regel vóór 1 juli 2018 worden opgenomen. Zo niet, dan komen ze te vervallen, tenzij er een uitzondering geldt. In de volgende gevallen vervallen de niet opgenomen vakantiedagen pas na vijf jaar:

  • Als de werknemer niet in staat was de vakantiedagen op tijd op te nemen. Bijvoorbeeld omdat deze daarvoor te ziek was. Of omdat de werkgever het onmogelijk maakte om (genoeg) vakantie op te nemen.
  • Als de werknemer bovenwettelijke vakantiedagen over heeft. Dit is het geval als de werknemer meer dan het wettelijk aantal vakantiedagen heeft.
Ingaan eigenrisicodragerschap WGA

U kunt eigenrisicodrager worden voor de WGA (Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten). Dat betekent datu vanaf de start van de WGA-uitkering maximaal tien jaar zelf het risico draagt voor gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid en tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid van uw (ex)-werknemer, of dat u dit volledig of deels particulier verzekert. u draagt ook het risico voor overlijdensuitkeringen van een maand WGA aan nabestaanden van werknemers met een WGA-uitkering die onder het eigen risico vallen.

Omdat u deze risico’s overneemt als eigenrisicodrager voor de WGA betaal je geen premiecomponent WGA van de sectorpremie (Whk). U moet een verzoek om eigenrisicodrager voor de WGA te worden indienen bij de Belastingdienst. Het eigenrisicodragerschap voor de WGA kun je op 1 januari of op 1 juli laten beginnen. De aanvraag moet uiterlijk 13 weken vóór de ingangsdatum bij de Belastingdienst binnen zijn. Dit betekent dat, wanneer uoverweegt om per januari 2019 eigenrisicodrager te worden, u uiterlijk op 1 oktober een verzoek daarvoor moet indienen. Het is dus raadzaam om van tevoren al te bepalen of deze overstap voor u interessant is en of u aan de voorwaarden kunt voldoen. Uiteraard zijn wij je graag daarbij behulpzaam.

 

Wijzigingen minimumloon

De bedragen van het wettelijk minimumloon gelden voor een volledige werkweek. Meestal is dat 36, 38 of 40 uur per week. Dit hangt af van de sector waarin je werkt en mogelijke cao-afspraken voor die sector. Per 1 juli is het minimumloon 1,03% hoger dan in de eerste helft van 2018. Dat brengt het brutominimumloon op:

€ 1.594,20 per maand
€ 367,90 per week en
€ 73,58 per dag

Voor jongeren geldt een lager minimumloon

Tabel minimumloon per maand, week en dag (bruto bedragen per 1 juli 2018)
Leeftijd Per maand Per week Per dag
22 jaar en ouder € 1.594,20 € 367,90 € 73,58
21 jaar € 1.355,05 € 312,70 € 62,54
20 jaar € 1.115,95 € 257,55 € 51,51
19 jaar €    876,80 € 202,35 € 40,47
18 jaar €    757,25 € 174,75 € 34,95
17 jaar €    629,70 € 145,30 € 29,06
16 jaar €    550,00 € 126,95 € 25,39
15 jaar €    478,25 € 110,35 € 22,07

 

Tabel minimumloon per uur voor fulltime werkweek van 36, 38 en 40 uur (bruto bedragen per 1 juli 2018)
Fulltime werkweekin bedrijf
22 jaar en ouder
21 jaar
20 jaar
19 jaar
18 jaar
17 jaar
16 jaar
15 jaar
36 uur
€ 10,22
€ 8,69
€ 7,16
€ 5,63
€ 4,86
€ 4,04
€ 3,53
€ 3,07
38 uur
€   9,69
€ 8,23
€ 6,78
€ 5,33
€ 4,60
€ 3,83
€ 3,35
€ 2,91
40 uur
€   9,20
€ 7,82
€ 6,44
€ 5,06
€ 4,37
€ 3,64
€ 3,18
€ 2,76

Meer info

Werkgevers kunnen weer subsidie praktijkleren aanvragen

Sinds 2 juni kunnen werkgevers een aanvraag doen voor de subsidie praktijkleren. Deze subsidie voor het aanbieden van praktijk-... Lees meer >

Sinds 2 juni kunnen werkgevers een aanvraag doen voor de subsidie praktijkleren. Deze subsidie voor het aanbieden van praktijk- en werkleerplaatsen is tot en met 17 september 2018 aan te vragen.

De subsidieregeling praktijkleren regelt dat organisaties een tegemoetkoming kunnen krijgen voor kosten die zij maken bij het aanbieden van een praktijk- of werkleerplaats aan een leerling of student. Per gerealiseerde praktijk- of werkleerplaats kan een werkgever maximaal € 2.700 ontvangen. Het aanvraagtijdvak van de subsidie voor het schooljaar 2017/2018 loopt van 2 juni 2018, 09.00 uur, tot en met 17 september 2018, 17.00 uur.

Voor schooljaar 2017/2018 grotere doelgroep

De doelgroep van de subsidieregeling praktijkleren is sinds dit jaar uitgebreid met leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs, praktijkonderwijs en de entree-opleidingen in het vmbo. Voor hen gelden dezelfde voorwaarden als voor vmbo-leerlingen in een leerwerktraject. Organisaties die de subsidie willen aanvragen, zijn hiervoor bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) aan het juiste adres. RVO.nl helpt organisaties op weg met een aantal belangrijke tips. Een aanvraag is mogelijk nadat de begeleiding van de leerling of student is afgelopen. RVO.nl waarschuwt dat werkgevers niet tot het laatste moment moeten wachten met aanvragen, als zij zeker willen zijn van de subsidie. Zo kost de aanvraag van de benodigde eHerkenning twee tot zeven werkdagen.

Toekomst van subsidieregeling nog onduidelijk

Voor 2018 is er binnen de subsidieregeling praktijkleren € 196,5 miljoen beschikbaar. Een groot deel hiervan (€ 188,9 miljoen) is bedoeld voor het mbo. De subsidieregeling praktijkleren loopt in haar huidige vorm tot en met 2018. Wat er met de regeling na 2018 gaat gebeuren, is nog niet duidelijk. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verwacht in de zomer een besluit te nemen over de voortzetting van de subsidieregeling.

Personeel & Salaris Online

Met Unit4 Personeel & Salaris Online heeft u een gebruiksvriendelijke en complete oplossing.... Lees meer >

Alleen een goede loonstrook is niet meer voldoende. In uw personeels- en salarisadministratie moeten meer processen en gegevens vastliggen. De trend naar online afhandeling van HR- en salarisadministratieve zaken is volop in beweging. Met Unit4 Personeel & Salaris Online heeft u een gebruiksvriendelijke en complete oplossing. Hierdoor bent u verzekerd van een accurate en snelle verwerking van de salarisadministratie. U heeft overzicht en controle en bepaalt samen met uw vaste contactpersoon binnen PNR administraties welke taken u zelf uitvoert en wat u aan ons overlaat. Compleet, efficiënt en  tijdsbesparend.

Met Unit4 Personeel & Salaris Online kunt u waar en wanneer u wilt, gegevens en informatie over uw personeel  inzien indien mogelijk invoeren en wijzigen.

Employee Self Service

Employee Self Service (ESS) vormt samen met UNIT4 Personeel & Salaris Online één totaaloplossing en biedt uw medewerkers:

  • Toegang tot loonstroken, jaaropgaven en andere documenten.

Meer info Inloggen Salaris online

Voorkom boetes en kijk uw arbocontract voor 1 juli na

Tot 1 juli 2018 heeft u als werkgever nog de tijd om uw arbocontract met de arbodienstverlener te wijzigen.... Lees meer >

Vanaf 1 juli 2017 geldt de vernieuwde Arbowet. Dat betekende de invoering van een verplicht basiscontract, en meer taken en bevoegdheden voor de bedrijfsarts. Tot 1 juli 2018 heeft u als werkgever nog de tijd om uw arbocontract met de arbodienstverlener te wijzigen. Daarna kunnen boetes volgen van de Inspectie SZW.

De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) geeft aan dat werknemers gezond en veilig moeten kunnen werken. Dit geldt ook voor uitzendkrachten, mensen met een nul-urencontract en stagiaires. Op basis van de Arbowet heeft iedere werkgever een zorgplicht voor goede arbeidsomstandigheden.

Verplicht basiscontract

Op 1 juli 2017 is de Arbowet aangepast. U bent sindsdien verplicht een basiscontract met de arbodienst of bedrijfsarts af te sluiten. Dit bevat de minimale arborechten en -plichten voor de werkgever, werknemer en de arbodienstverlener.

Meer preventie

In de vernieuwde Arbowet staat preventie van ziekte en verzuim meer centraal. Dit komt tot uitdrukking in het verplichte basiscontract. Ook zijn de taken en het functioneren van de bedrijfsarts duidelijker omschreven, met meer waarborgen voor een onafhankelijke oordeelsvorming en advisering door de bedrijfsarts. Daarnaast bevordert de gewijzigde Arbowet de betrokkenheid van werkgevers en werknemers, en versterkt de wet de rol van de preventiemedewerker.

Vangnet- en maatwerkregeling

Voor de arbodienstverlening konden werkgevers altijd kiezen tussen een vangnet- en een maatwerkregeling. Dat is ook na de wetswijziging zo gebleven. Bij de vangnetregeling brengt u uw arbotaken onder bij een gecertificeerde arbodienst. Een maatwerkregeling betekent dat u de arbotaken intern organiseert waarbij u minimaal een externe bedrijfsarts inhuurt.

Onderdelen arbocontract

In het verplichte basiscontract met de arbodienst of zelfstandige bedrijfsarts moet een aantal wettelijke verplichte onderdelen staan. Het gaat om verplichtingen die al bestonden op 1 juli 2017 of toen nieuw waren. U vindt hier (zie de derde vraag en antwoord) alle eisen waaraan u moet voldoen in het basiscontract.

Risico-inventarisatie & evaluatie

Bij de arboverplichtingen die al bestonden voor 1 juli 2017 gaat het onder andere om de risico-inventarisatie & evaluatie (RI&E), ziekteverzuimbegeleiding en het voorkomen van ziekteverzuim, het kunnen aanbieden van een periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek (PAGO).Verder moet de werkgever verplicht een advies vragen bij de bedrijfsarts of een aanstellingskeuring voor een bepaalde functie terecht is. Ook de preventiemedewerker was al verplicht.

Toegang tot bedrijfsarts

Een nieuwe verplichting per 1 juli 2017 is dat elke werknemer het wettelijk recht heeft om zonder uw toestemming de bedrijfsarts te bezoeken. In het basiscontract moet staan hoe u de toegang van werknemers tot de bedrijfsarts regelt via bijvoorbeeld een spreekuur. Daarnaast moet de werknemer een door u betaalde second opinion aan kunnen vragen bij een andere, onafhankelijke bedrijfsarts.

Verzuimbegeleiding

Een andere nieuwe eis is dat het basiscontract overleg van de bedrijfsarts met de preventiemedewerker en de ondernemingsraad (OR) of personeelsvertegenwoordiging (PVT) regelt. Verder moet de advisering van de bedrijfsarts aan de werkgever over preventie in het basiscontract staan. De bedrijfsarts adviseert voortaan ook bij de verzuimbegeleiding. Tevens moet de bedrijfsarts tijd kunnen besteden aan het onderkennen en melden van beroepsziekten. Tot slot heeft de OR of PVT instemmingsrecht gekregen bij de keuze wie in een organisatie preventiemedewerker wordt en wat de exacte inhoud van het basiscontract is.

Dus tijdig een goed basiscontract

U kunt een bestaand arbocontract dat niet voldoet aan de eisen van het basiscontract tot 1 juli 2018 aanpassen. Sluit u een nieuw contract af dan moet dat direct voldoen aan alle eisen. Let erop dat u tijdig over een goed basiscontract beschikt. De Inspectie SZW handhaaft hierop en kan boetes opleggen tot 1500 euro.

Ook procedure tegen nieuwe opzet vermogensbelasting

Bond van Belastingbetalers start ook een procedure tegen de opzet van de vermogensrendementsheffing in de aangifte over 2017... Lees meer >

De Bond van Belastingbetalers start ook een procedure tegen de opzet van de vermogensrendementsheffing in de aangifte over 2017.

Dit meldt de bond dinsdag. Voor dit jaar is de opzet voor de vermogensbelasting aangepast, maar er wordt nog steeds belasting over een fictief rendement betaald en daar heeft de bond kritiek op.

Voor de aangifte over 2017 heeft de overheid een verdeelsleutel gemaakt. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat particulieren met een groter vermogen meer rendement maken. De bond noemt deze nieuwe opzet een cosmetische aanpassing en wil dat er belasting wordt geheven op het daadwerkelijk behaalde rendement.

“Het confronteert belastingplichtigen nog steeds met een buitensporige belastinglast. Met name de belastingbetaler die spaart voor een aanvullend pensioen of spaarzaam leeft, wordt geraakt”, aldus Cor Overduin van accountantskantoor Grant Thornton, die de bond bijstaat in de zaak.

Aangifte 2014

Eerder was de bond al een juridische procedure gestart tegen de vermogensrendementsheffing voor de aangifte over 2013 en 2014. In die aangifte werd uitgegaan van een rendement van 4 procent op het vermogen. Op dat rendement werd vervolgens 30 procent belasting betaald.

Zo’n vijftienduizend mensen tekenden toen bezwaar aan. Begin dit jaar oordeelde het gerechtshof in Amsterdam dat het aan de overheid en niet aan de rechter is om de hoogte van de vermogensbelasting te bepalen, hoewel het hof een rendement van 4 procent niet realistisch vond.

Bron: NU.nl

Absurde belastingzaken: vestzak broekzak

In discussies over het nut van belastingen komt altijd de vraag voorbij of er niet gewoon sprake is van... Lees meer >

In discussies over het nut van belastingen komt altijd de vraag voorbij of er niet gewoon sprake is van ‘geld rondpompen’. Het geld dat de overheid in een van haar vele hoedanigheden aan burgers uitkeert, vordert de fiscus voor een deel weer terug als belasting. Dat kan mensen ernstig in de problemen brengen.

Een vrouw moet continu worden verzorgd, omdat zij door meerdere ziekten bedlegerig is. Ze is arbeidsongeschikt verklaard, en krijgt een WIA- en een Wajong-uitkering, waar ze niet goed van kan rondkomen.

Mensen die door hun ziekte hulpbehoevend zijn, kunnen van het UWV een aanvulling op hun uitkering krijgen, voor medische kosten. De vrouw ontvangt bijna 7.500 euro per jaar als aanvulling, maar moet hierover wel weer belasting betalen. Bovendien telt de aanvulling op de uitkering ook mee voor het verzamelinkomen. Een groot aantal tegemoetkomingen, zoals toeslagen, bijzondere bijstand en kwijtschelding gemeentelijke lasten, is afhankelijk van de hoogte van dat verzamelinkomen. Ook dat kost haar geld.

Nationale ombudsman vraagt vergeefs om een oplossing

Zij legt haar situatie voor aan de Nationale ombudsman. Die vindt dat er een onacceptabele situatie ontstaat voor de vrouw, en voor andere mensen die hulpbehoevend zijn. Er komt echter geen oplossing, omdat de verschillende overheidsinstanties bang zijn voor ‘precedentwerking’.

Volgens het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen het UWV en de Belastingdienst ‘niet zomaar een uitzondering op de regel toestaan’.

Het ministerie van Financiën wil niets veranderen omdat de aanvulling ‘niet als vergoeding van concrete uitgaven in verband met ziekte of handicap kan worden gezien’.

De ombudsman moet uiteindelijk teleurgesteld concluderen dat de instanties geen problemen hebben met de negatieve financiële gevolgen. Sommige instanties vinden zelfs dat er helemaal geen sprake is van een fout. Ze hebben ‘minimaal aandacht voor de gevolgen van de regeling’ voor de vrouw, vindt de ombudsman.

Ook de rechter kan geen soelaas bieden

Uiteindelijk legt de vrouw haar situatie voor aan de Rechtbank Gelderland, maar ook daar schiet zij niet veel mee op. De rechter mag zich namelijk niet direct bemoeien met de inhoud van de wet en de uitwerking ervan.

De aanvulling wordt gelijkgesteld met de ontvangen uitkering, en is dus eveneens belast. Uit de geschiedenis van de bepaling blijkt niet dat de aanvulling anders zou moeten worden behandeld.

Een aantal uitkeringen is wel daarvan vrijgesteld, maar in deze lijst wordt de aanvulling niet genoemd. De vrouw stelt, terecht, dat twee van de vrijgestelde uitkeringen heel erg lijken op de aanvulling die zij krijgt, maar alleen de letterlijk genoemde uitkeringen zijn vrijgesteld.

Een lichtpuntje

De rechtbank kan alleen maar bevestigen dat ook de aanvullingen op de WIA- en de Wajong-uitkering zijn belast. Het ministerie van Financiën ontkent dat de aanvulling is bedoeld voor concrete uitgaven, en stelt dat de extra uitkering vrij kan worden besteed. Uit een brief van het ministerie van Sociale Zaken blijkt echter dat mensen alleen recht hebben op de verhoging als er extra kosten moeten worden gemaakt door ziekte. Een verzekeringsarts stelt vast of iemand daadwerkelijk hulpbehoevend is, en de aanvulling nodig heeft.

Reparatie kost miljoenen

Volgens de brief van Sociale Zaken hadden in 2010 ongeveer 6.500 mensen recht op een aanvulling. De groep benadeelden is dus niet heel klein, en het is wel duidelijk waarom de overheid bang is voor precedentwerking.

Een aanpassing van de regeling kost waarschijnlijk tientallen miljoenen, maar is wel dringend noodzakelijk. De aanvulling is bedoeld voor ‘echte’ medische kosten, en moet dus niet verdwijnen in de zak van de fiscus, en van andere overheidsinstanties.

Bron: Elsevier

6 Procent btw voor loopfietsen bestemd voor invaliden en mindervaliden

Alleen loopfietsen die speciaal zijn ontworpen en ingericht en worden aangeboden voor gebruik door invalide of minder valide personen,... Lees meer >

Alleen loopfietsen die speciaal zijn ontworpen en ingericht en worden aangeboden voor gebruik door invalide of minder valide personen, zijn belast met 6% btw.

Loopfietsen bieden personen die slecht ter been zijn, de mogelijkheid zich te verplaatsen zonder de benen met het eigen gewicht te belasten, door zittend op het voertuig loopbewegingen te maken.

Invalidenwagentjes en invalidenkrukken zijn belast met het lage btw-tarief van 6%. Hulpmiddelen die met deze producten zijn te vergelijken, kunnen ook worden geleverd tegen dat tarief. Deze hulpmiddelen moeten dan wel specifiek zijn ingericht om te worden gebruikt door invaliden of mindervaliden. De fysieke kenmerken, de maatschappelijke presentatie én de bestemming van het product geven daarbij de doorslag.

Een loopfiets is dus alleen belast met 6% btw, als die loopfiets speciaal is ontworpen en ingericht voor, en wordt aangeboden en aangepast aan, invaliden en mindervaliden.

Bron: Belastingdienst

Oudedagsverplichting (ODV) en testament

Vorig jaar is bij menig directeur grootaandeelhouder (DAG) de beslissing genomen over hoe verder te gaan met het pensioen... Lees meer >

Vorig jaar is bij menig directeur grootaandeelhouder (DAG) de beslissing genomen over hoe verder te gaan met het pensioen in eigen beheer. Zoals uit de kranten blijkt hebben meer van hen dan werd verwacht het pensioen afgekocht met gebruikmaking van de voor 2017 geldende vrijstelling van 34,5% van de fiscale waarde per 31-12-2015.

Sommige hebben de keuze nog even voor zich uit geschoven en anderen hebben reeds gekozen om de pensioenvoorziening om te zetten in een zogenaamde oudedagsverplichting, de ODV.
Bij deze laatste optie dienen een aantal zaken goed geregeld te zijn en dient men zich van de “spelregels” bewust te zijn. In navolgende zoemen we in op de erfgenamen van de DGA in combinatie met de ODV.

Termijn van de ODV
De ODV dient in 20 jaarlijkse termijnen uitgekeerd te worden ingaand binnen de bandbreedte van niet eerder dan 5 jaar vóór de AOW-gerechtigde leeftijd ( die jaren dienen bij de 20 uitkeringsjaren te worden bijgeteld) dan wel uiterlijk  binnen 2 maanden ná het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Is de ODV nog niet ingegaan bij overlijden van de DAG dan dient de uitkering binnen 12 maanden ná diens overlijden in te gaan dan wel kunnen de erfgenamen kiezen de ODV af te storten bij een verzekeringsmaatschappij.

Uitkering resterende termijnen
Volgens de wet dienen te resterende uitkeringstermijnen uitgekeerd te worden aan de erfgenamen. Om te voorkomen dat de uitkeringen deels ook toekomen aan de erfgenaam-kinderen dient de uitkering testamentair gelegateerd te worden aan de langstlevende/erfgenaam. Over dit laatste zijn de meningen nog verdeeld of dit testamentair moet worden vastgelegd. Echter tot dat daar meer duidelijkheid over is, is het raadzaam hierover wel nader met uw notaris van gedachten te wisselen en daar waar nodig een en ander vast te leggen.

Bron: Actuele Artikelen

Eigen bijdrage WLZ

Regelmatig komt de vraag voorbij of de eigenwoning van ouders meetelt voor de bepaling van de hoogte van de... Lees meer >

Regelmatig komt de vraag voorbij of de eigenwoning van ouders meetelt voor de bepaling van de hoogte van de eigen bijdrage bij opname van de ouders in een verzorgingstehuis. Dit op basis van de in 2013 ingevoerde Wet Langdurige Zorg (WLZ).

Deze bijdrage is afhankelijk van meerder factoren zoals de huwelijkse staat, samenstelling van het gezin, het verzamelinkomen ( is het inkomen van box 1,2én 3 bij elkaar geteld) en het vermogen in box 3 indien dit vermogen meer bedraagt dan het heffingsvrije vermogen van (nu) € 30.000. Hierna beperken we ons even tot de vraag zoals gesteld ten aanzien van de eigen woning.

Wat is de hoofdregel?
Hoofdregel is dat voor de bepaling van de hoogte van de eigen bijdrage gekeken wordt naar het inkomen en vermogen van de twee voorafgaande jaren. Verder wordt vanaf 1-1-2018 10% van het box 3 vermogen bijgeteld bij het zogenaamde bijdrageplichtig inkomen. Dit is dus náást het box 3 vermogen dat al in het hiervoor genoemde verzamelinkomen is meegenomen.

De eigen woning behoort tot het inkomen in box 1
Als de eigen woning eigendom is van de ouders en de langstlevende die wordt opgenomen in het verzorgingstehuis heeft tot dát moment in die woning gewoond als zijnde het hoofdverblijf, dan kan deze woning nog maximaal 3 jaar ná het kalenderjaar waarin de langstlevende in het verzorgingstehuis is opgenomen in box 1 worden aangegeven.  En dus blijft het dan buiten het box 3 vermogen.

Bij verkoop woning box 3
Dat is uiteraard anders als de woning verkocht wordt binnen die drie jaar. De opbrengst maakt dan immers onderdeel uit van het bank saldo en dus ban box 3. Zou een van beide ouders opgenomen worden in een verzorgingstehuis en de ander nog in de woning blijven wonen dan blijft de woning in box 1.

Goede vastlegging noodzakelijk
Een ingewikkelde regeling waarbij het goed is voordat een situatie van opname in een verzorgingstehuis zich voordoet eens goed te kijken hoe zaken geregeld zijn. Goede vastleggingen in een testament kunnen ook een steentje bijdrage in het beperken van de hoogte van de eigen bijdrage.

Bron: Actuele Artikelen

Kritiek op schrappen jaarlijkse BTW-aangifte

De regeling die in 2020 de huidige kleineondernemersregeling moet gaan vervangen, wordt over het algemeen redelijk positief ontvangen. Maar... Lees meer >

De regeling die in 2020 de huidige kleineondernemersregeling moet gaan vervangen, wordt over het algemeen redelijk positief ontvangen. Maar uit de reacties op de internetconsultatie over het voorstel klinkt ook kritiek. Bijvoorbeeld op het schrappen van de mogelijkheid om één keer per jaar BTW-aangifte te doen.

De kleineondernemersregeling (KOR) is een lastenverlichting voor ondernemers die jaarlijks minder dan € 1.883 aan BTW hoeven af te dragen. Als zij de KOR gebruiken hoeven zij geen of minder BTW af te dragen. En ze kunnen onder voorwaarden de BTW-administratie achterwege laten.

Nieuwe regeling gekoppeld aan omzet

De KOR is dus gekoppeld aan het bedrag aan BTW dat een ondernemer jaarlijks moet afdragen. Het kabinet wil de regeling vervangen door een regeling die uitgaat van de omzet van een ondernemer: de OVOB. Dat zou het voor ondernemers én de Belastingdienst veel minder bewerkelijk maken. Bovendien gaat de regeling gelden voor alle rechtsvormen in plaats van alleen de IB-ondernemer.
Uit de reacties op de internetconsultatie blijkt dat de OVOB in het algemeen redelijk positief wordt ontvangen. Onder meer de versimpeling van de regels die het oplevert en het feit dat ondernemers nog steeds kunnen kiezen of ze de regeling gebruiken vallen in de smaak. Maar er ontbreekt ook nog een belangrijke pijler van de regeling. Want waar komt de omzetgrens te liggen? Dat vertelt het wetsvoorstel nog niet, want daarvoor moet er eerst goedkeuring zijn uit Europa. Uit de reacties spreekt de wens om de grens in elk geval in lijn te laten zijn met buurlanden en misschien zelfs Europees te regelen.

Jaarlijkse BTW-aangifte vervalt

Verder vervalt in het wetsvoorstel de mogelijkheid om jaarlijks BTW-aangifte te doen in plaats van per kwartaal. Ondernemersorganisaties VNO-NCW, MKB-Nederland, PZO en LTO Nederland willen die mogelijkheid graag behouden, omdat de administratieve lasten voor ondernemers anders juist weer groeien. VNO-NCW en MKB-Nederland hebben de indruk dat dit vooral is ingegeven vanuit ‘het uitvoeringsbelang van de Belastingdienst’.
Dat geldt volgens de organisaties ook voor de zogenoemde bezinningsperiode van drie jaar in het voorstel. Ondernemers die hebben gekozen voor de OVOB moeten minstens drie jaar in de regeling blijven. En als ze eruit stappen, kunnen ze pas na drie jaar weer een aanvraag indienen.
De beroepsvereniging van belastingadviseurs NOB vraagt in zijn reactie onder meer aandacht voor de overgang tussen de regelingen. Zo kunnen ondernemers in de situatie komen dat zij de BTW op investeringen uit het verleden willen herzien. Vraag is hoe dat moet als er helemaal geen BTW-administratie is. Ook vraagt de NOB om meer duidelijkheid over welke BTW-vrijgestelde activiteiten er nu precies meetellen voor de omzetgrens.

Fiscus wijst alle bezwaren privégebruik auto en BTW af

Belastingdienst heeft de bezwaarschriften die vorig jaar zijn ingediend tegen de BTW en het privégebruik van de auto van... Lees meer >

De Belastingdienst heeft de bezwaarschriften die vorig jaar zijn ingediend tegen de BTW en het privégebruik van de auto van de zaak allemaal afgewezen. Het bewijs dat moest worden aangeleverd was volgens de fiscus veel te mager.

Op 1 juli 2011 is er een forfaitaire regeling gaan gelden voor de BTW-correctie voor het privégebruik van de auto van de zaak. Er wordt hierbij in principe gerekend met een vast percentage van 2,7% van de catalogusprijs van de auto van de zaak als de ondernemer/chauffeur geen kilometerregistratie bijhoudt. Sinds de invoering van dit systeem werden er zo’n twee miljoen bezwaren ingediend, onder meer van ondernemers die stelden dat de werkelijke kosten van het privégebruik veel lager waren dan die 2,7%. Al die grieven werden eerder aangemerkt als massaal bezwaar. Vervolgens legde men vier zaken voor aan de Hoge Raad.

Onderbouwing uitgaven nodig

Ons hoogste rechtsorgaan gaf aan dat ondernemers recht hebben op teruggave, als zij door het forfait meer BTW hebben betaald dan nodig was geweest over de (werkelijke) uitgaven die waren toe te rekenen aan het privégebruik. Maar dan moest wel onderbouwd worden dat die kosten daadwerkelijk lager waren.  Als er geen sluitende kilometeradministratie was, moest de ondernemer dus de omvang van het privégebruik (per auto) aannemelijk maken. Volgens de Hoge Raad moest hierbij rekening gehouden worden met:

  • de aard van de onderneming;
  • de zakelijke doeleinden waarvoor de ter beschikking gestelde auto binnen de onderneming gebruikt wordt;
  • de positie en de werkzaamheden binnen de onderneming van de gebruiker van de auto;
  • de wijze waarop de auto voor privédoeleinden mag worden gebruikt of is gebruikt (zoals voor woon-werkverkeer).
    Voor die onderbouwing hadden ondernemers tot 15 juli 2017 de tijd.

Alle bezwaren afgewezen

Zo’n 2.000 ondernemers hebben een bezwaar met een onderbouwing van het lagere privégebruik ingediend. De Belastingdienst heeft echter alle bezwaren aan de hand van een onlangs gepubliceerd draaiboek afgewezen.

AVG-privacyregels te complex voor mkb-ondernemers

Meer dan 70% van het mkb heeft nog geen maatregelen genomen voor de nieuwe Europese privacywetgeving waar het vanaf... Lees meer >

Meer dan 70% van het mkb heeft nog geen maatregelen genomen voor de nieuwe Europese privacywetgeving waar het vanaf 25 mei aan moet voldoen. Veel mkb-ondernemers zien door de bomen het bos niet meer. Zo blijkt uit een peiling van MKB-Servicedesk.

De uitkomsten van de peiling zijn zorgelijk, maar ook niet verrassend, aldus de directeur van MKB-Nederland. Het gaat namelijk om uiterst complexe wetgeving die strengere normen stelt aan het verwerken van persoonsgegevens, zoals klant- en medewerkersgegevens. Het doel van deze wetgeving is om potentiële risico’s bij onder andere grote datareuzen zoveel mogelijk te beperken. Daarbij is echter geen rekening gehouden met het mkb, terwijl er meer verantwoordelijkheden worden neergelegd bij de mkb-ondernemer. Het gevoel voor proportionaliteit in deze wet ontbreekt volledig, aldus de directeur en dat is duidelijk terug te zien in de enquêteresultaten.

Nog geen concrete maatregelen

Per 25 mei 2018 vervangt de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) de huidige Wet bescherming persoonsgegevens. Veel ondernemers zitten nu met de handen in het haar en weten niet waar ze moeten beginnen. Er is ten opzichte van de peiling in 2017 wel een duidelijke stijging in het aantal ondernemingen dat maatregelen gaat nemen. Toch hebben zeven op de tien mkb-ondernemingen nog geen actie ondernomen. Ondernemingen in de zakelijke dienstverlening zijn het best van alle branches op de hoogte van de nieuwe wet. Vorig jaar in de peiling van de MKB Servicedesk scoorden zij nog het slechtst. Ruim 77% van de 2800 ondervraagde ondernemingen noemt de voorlichting door de overheid slecht tot zelfs heel slecht. Verder valt op dat de AVG nog onbekend is bij 38% van de ondervraagde kleinere ondernemingen (met 1-5 werknemers in dienst).

Rol Autoriteit Persoonsgegevens

De Autoriteit Persoonsgegevens zou volgens de directeur van MKB-Nederland zich de komende tijd vooral moeten richten op hulp in plaats van handhaving. Ook vindt hij dat mkb-ondernemers het meest geholpen zijn met maatwerk. Dat houdt volgens hem het aanbieden in van op de onderneming of branche toegesneden informatie die ontzorgt en instrumenten biedt die direct inzetbaar zijn. Daar zou de overheid in moeten investeren.