Nieuws

Vraag vóór 15 september subsidieregeling praktijkleren aan

Vóór 15 september 17.00 uur moeten werkgevers een aanvraag ingediend hebben voor de subsidieregeling praktijkleren... Lees meer >

Vóór 15 september 17.00 uur moeten werkgevers een aanvraag ingediend hebben voor de subsidieregeling praktijkleren. Met de subsidieregeling praktijkleren krijgt uw organisatie een tegemoetkoming in de gemaakte kosten voor de praktijkbegeleiding van een leerling of student.

De  subsidieregeling praktijkleren is bedoeld voor werkgevers die een praktijk- of werkleerplaats verzorgen voor:

  • vmbo’ers die een leerwerktraject volgen voor een basisberoepsgerichte leerweg;
  • mbo’ers die een beroepsbegeleidende leerweg (BBL) volgen;
  • hbo’ers die een duale of deeltijdopleiding volgen op het gebied van techniek, landbouw of natuurlijke omgeving;
  • promovendi of technologisch ontwerpers in opleiding.

Met deze subsidieregeling wil de overheid stimuleren dat werkgevers praktijkleerplaatsen en werkleerplaatsen aanbieden aan kwetsbare jongeren, studenten die een studie volgen voor beroepen waarin personeelstekorten worden verwacht en wetenschappelijk personeel dat onmisbaar is voor de kenniseconomie.

Hoogte van de subsidie is  afhankelijk van duur en periode

De hoogte van het subsidiebedrag hangt af van de duur van de periode waarin de werkgever begeleiding heeft gegeven en het totaal aantal subsidieaanvragen dat is ingediend. De subsidie is maximaal € 2.700 per jaar per gerealiseerde praktijk- of werkleerplaats. Een werkgever vraagt de subsidie achteraf aan via de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Dit betekent dat werkgevers die in het studiejaar 2016-2017 een praktijk- of werkleerplaats hebben aangeboden hier nu subsidie voor kunnen aanvragen.

Indien de aanvraag voor u moeten doen. Dan vernemen wij dat graag.

Aanvraagformulier g-rekening verduidelijkt

De Belastingdienst heeft het aanvraagformulier voor de geblokkeerde rekening (g-rekening) verbeterd... Lees meer >

De Belastingdienst heeft het aanvraagformulier voor de geblokkeerde rekening (g-rekening) verbeterd. Daarnaast is ook de toelichting bij het aanvraagformulier uitgebreid.

Een organisatie die werknemers uitzendt, uitleent of detacheert kan van een afnemende partij het verzoek krijgen om een g-rekening  te openen. Nadat de afnemende partij een deel van de factuur op de g-rekening heeft gestort, kan de fiscus hem niet meer aansprakelijk stellen als een andere partij uit de keten de BTW of loonheffingen niet volledig betaalt. Voor het openen van een g-rekening is een aanvraagformulier nodig. In december 2016 publiceerde de Belastingdienst nog nieuwe formulieren voor alles rond de g-rekening. Van deze formulieren is het aanvraagformulier en de bijbehorende toelichting vernieuwd. Organisaties hebben nu dus een ander aanvraagformulier nodig om een g-rekening te openen.

Aanvraagformulier g-rekening invullen

Het aanvraagformulier (pdf) voor de g-rekening is aangevuld met drie onderdelen:

  • Organisaties moeten in het eerste deel van het formulier aangeven bij welke bank de g-rekening wordt geopend.
  • Het nieuwe formulier maakt onderscheid tussen de volledige naam van de organisatie en de handelsnaam. De Belastingdienst wil op de hoogte zijn van beide namen.
  • Organisaties die het aanvraagformulier invullen omdat zij veranderen van bank moeten het bestaande (nog op te heffen) g-rekeningnummer invullen in het aanvraagformulier.

De toelichting is uitgebreid

Naast de nieuwe onderdelen in het aanvraagformulier is er ook iets veranderd aan de toelichting bij dit formulier. Deze toelichting staat in hetzelfde bestand. De Belastingdienst heeft  deze uitleg uitgebreid, zodat organisaties het formulier eenvoudiger correct kunnen invullen. Dat scheelt tijd, zowel voor de werkgevers als voor de Belastingdienst. Zo is er bijvoorbeeld op het voorblad een nieuwe aanwijzing geplaatst: organisaties mogen het aanvraagformulier pas versturen nadat de Belastingdienst een loonheffingen- en/of BTW-nummer heeft toegekend. Dit nummer moeten organisaties invullen.

Kilometers auto 0%-tarief tellen mee voor grens bijtelling

Als een werknemer binnen een kalenderjaar een auto van de zaak met een hoger bijtellingstarief dan 0% inwisselt voor... Lees meer >

Als een werknemer binnen een kalenderjaar een auto van de zaak met een hoger bijtellingstarief dan 0% inwisselt voor een elektrische auto in het 0%-tarief, kan er toch sprake zijn van een bijtelling. De kilometers die de werknemer privé met de elektrische wagen rijdt, tellen namelijk gewoon mee voor de 500 kilometergrens. Zo oordeelde de rechter onlangs.

De 500 kilometergrens is van belang voor de bijtelling voor het privégebruik van de auto van de zaak. Als een werknemer jaarlijks minder dan 500 kilometer privé rijdt in de auto van de zaak, volgt er namelijk geen bijtelling. De werknemer moet dit dan wel aan kunnen tonen met een rittenadministratie.
In de zaak voor het gerechtshof in Amsterdam draaide het om een werkneemster met een auto van de zaak. In 2013 reed zij van januari tot begin november 376 privékilometers in een auto met 25% bijtelling. In november werd die bolide ingeruild voor een elektrische wagen met 0%-bijtelling.

Grens van 500 kilometer privégebruik overschreden

De werkneemster was ervan uit gegaan dat de kilometers van de elektrische auto niet meetelden voor de 500 kilometergrens. Zij moest in die periode regelmatig naar het ziekenhuis en liet vrienden haar met de elektrische auto brengen en halen. Dat waren 208 kilometers. Daarmee kwam ze dus over het hele jaar gezien boven de 500 kilometer. De inspecteur wees erop dat de kilometers met de 0%-auto wel degelijk meetelden en legde een naheffingsaanslag op voor de loonheffingen van ruim € 3.700.

Gerechtshof heeft begrip voor klacht tegen ‘tegenstijdige’ regels

De werkneemster ging daartegen in bezwaar en in beroep. Haar redenatie kwam erop neer dat het vreemd is dat juist een auto die vanwege het 0%-tarief is vrijgesteld van belasting, via een omweg alsnog tot belastingbetaling leidt. Het hof had wel begrip voor die redenering. De regels lijken innerlijk tegenstrijdig, aldus het hof: ‘Wat de wetgever met de ene hand geeft, wordt dan met een andere hand weer teruggenomen.’
Maar ondanks die begripvolle woorden volgde toch een domper voor de werkneemster. Want de systematiek is nu eenmaal dat als een werknemer gedurende het jaar een nieuwe auto krijgt, alle privékilometers meetellen voor de 500 kilometergrens. En in de parlementaire behandeling van de invoering van het 0%-tarief vond het hof geen aanwijzingen dat de wetgever met dat principe wilde breken. Net als de rechtbank liet het hof de naheffingsaanslag dus in stand.
Gerechtshof Amsterdam, 16 mei 2017 (publicatiedatum 2 augustus 2017), ECLI (verkort): 1979

Meer duidelijkheid over waardeoverdracht klein pensioen

In een conceptbesluit zijn een aantal regels voor de automatische waardeoverdracht van kleine pensioenen uitgewerkt.... Lees meer >

In een conceptbesluit zijn een aantal regels voor de automatische waardeoverdracht van kleine pensioenen uitgewerkt. Zo moeten vertrekkende werknemers informatie krijgen over deze waardeoverdracht.

De Tweede Kamer ontvangt binnenkort het wetsvoorstel Waardeoverdracht klein pensioen. Die regelt dat een pensioenuitvoerder zonder de toestemming van een werknemer opgebouwd pensioen tot een bepaalde waardegrens kan overdragen aan een nieuwe pensioenuitvoerder. In plaats van zo’n klein pensioen aan de vertrekkende werknemer uit te betalen, zorgt de pensioenuitvoerder ervoor dat het geld daadwerkelijk voor het pensioen bestemd blijft. Demissionair staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft nu op internetconsultatie.nl een besluit gepubliceerd waarin uitvoeringsregels staan voor de automatische waardeoverdracht. De bepalingen gaan over het overdrachtsproces, de voorwaarden voor de waardeoverdracht van bestaande kleine pensioenen en communicatieverplichtingen.

Informatie over waardeoverdracht in stopbrief

Als de pensioenopbouw van een werknemer bij een pensioenuitvoerder stopt – bijvoorbeeld omdat hij van baan wisselt – moet de pensioenuitvoerder in de zogeheten stopbrief aan de werknemer uitleg geven over de automatische waardeoverdracht. De werknemer krijgt dan te zien hoe hoog zijn opgebouwde pensioenaanspraak is en wat hiermee gebeurt. Mogelijk is er niet direct een nieuwe pensioenuitvoerder; denk aan de werknemer die in zijn nieuwe baan geen pensioen opbouwt. De oude pensioenuitvoerder moet dan jaarlijks toetsen of de situatie van de werknemer veranderd is en of hij het klein pensioen alsnog kan overdragen aan een nieuwe pensioenuitvoerder. Op mijnpensioenoverzicht.nl kan de werknemer altijd zien wat de actuele status van zijn pensioen is.

Reageren op het conceptbesluit is mogelijk tot en met 14 september 2017.

Na 60 maanden geen 22% maar 25% bijtelling

Op 1 juli 2017 liep voor de allereerste auto’s van de zaak de zogenoemde 60-maandenregel a... Lees meer >

Op 1 juli 2017 liep voor de allereerste auto’s van de zaak de zogenoemde 60-maandenregel af. Dat betekent dat de betreffende werknemers vanaf dat moment méér gaan betalen voor het privégebruik van hun (lease)auto.

Als een werknemer een auto van de zaak heeft die hij ook (meer dan 500 kilometer per jaar) privé gebruikt, moet de werkgever voor dit privégebruik een percentage bij zijn belastbare loon tellen. De afgelopen jaren zijn er behoorlijk wat ontwikkelingen geweest in de bijtellingspercentages . Er is toen afgesproken dat het verlaagde bijtellingstarief vanaf het moment van eerste tenaamstelling maximaal 60 maanden lang onveranderd blijft. Dit geldt ook als de auto van eigenaar wisselt; het bijtellingspercentage en de termijn van 60 maanden zijn gekoppeld aan het kentekenbewijs.

Nieuwe bijtelling is 25% van cataloguswaarde

Voor de eerste auto’s die onder deze regel vielen, is de termijn van 60 maanden in juli 2017 verstreken. Dat betekent dat voor diezelfde auto méér moet worden bijgeteld. Op de laatste dag van de termijn van 60 maanden moet de werkgever het nieuwe bijtellingspercentage bepalen volgens de normen die op dat moment gelden.
In 2017 is de standaardbijtelling voor privégebruik van de auto van de zaak 22% van de cataloguswaarde van de auto. Voor auto’s die eerder 60 maanden lang onder een verlaagd tarief vielen maar hier nu niet meer voor in aanmerking komen, geldt na afloop van die 60 maanden echter de standaardbijtelling die op 31 december 2016 gold: 25%. Er start dan niet opnieuw een bijtellingsvaste periode van 60 maanden; sinds 1 januari 2017 wordt na afloop van de 60-maandenperiode jaarlijks getoetst wat de bijtelling moet zijn.

Opnieuw 60 maanden verlaagde bijtelling

Valt de auto na de 60-maandenperiode opnieuw onder een verlaagd bijtellingstarief, dan geldt dit nieuwe percentage wel weer voor 60 maanden. Hiervoor komen in 2017 alleen auto’s zonder CO2-uitstoot in aanmerking. De bijtelling voor deze auto’s bedraagt 7%.