Nieuws

Nieuwe spelregels voor NHG-hypotheek zzp’ers

Bent u als zzp’er op zoek naar een koopwoning?... Lees meer >

Bent u als zzp’er op zoek naar een koopwoning? Dan heeft u sinds 1 december 2016 meer mogelijkheden om een hypotheek met NHG af te sluiten. Voorheen moest u aantoonbaar met jaarcijfers, minimaal 3 jaar actief zijn als ondernemer. Nu is een hypotheek met NHG na 12 maanden zelfstandigheid al mogelijk.

Lees meer

 

 

Britse belasting op inhuren geschoolde werknemers uit EU

Het Verenigd Koninkrijk wil na de uittreding uit de Europese Unie niet alleen ... Lees meer >

Het Verenigd Koninkrijk wil na de uittreding uit de Europese Unie niet alleen het aantal immigranten beperken maar ook het inhuren van geschoold personeel van het vasteland belasten.

Dat heeft de verantwoordelijke minister Robert Goodwill woensdag gezegd in het parlement. Hij noemde een bedrag van 1.000 pond (1.150 euro) per persoon per jaar als de Brexit eenmaal een feit is. Voor werknemers van buiten de EU is dat nu al het geval.

”De onderhandelingen over de Brexit geven ons de gelegenheid de aantallen die het land binnenkomen te reguleren. We zeggen niet dat we mensen die hier willen komen werken zullen tegenhouden, maar dat we ze gecontroleerd zullen binnenlaten”, aldus Goodwill.

Voor de regering van Theresa May is dit een belangrijk onderhandelingspunt. Ze heeft beloofd de migratie terug te brengen tot ”tienduizenden” jaarlijks in plaats van de 300.000 nu. De EU houdt op de interne, ondeelbare markt vast aan vrij verkeer van goederen en diensten en dus ook van werknemers.

Bron: Nu.nl

Fictief rendement bij belasten vermogen niet in strijd met eigendomsrecht

De vermogensrendementsheffing die de fiscus oplegt, is niet in strijd met Europese verdragen.... Lees meer >

De vermogensrendementsheffing die de fiscus oplegt, is niet in strijd met Europese verdragen.

Dat heeft de belastingkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant woensdag bepaald in een proefproces waarbij twee zaken zijn behandeld. Het proces is aangespannen door de Bond van Belastingbetalers.

De heffing gaat uit van een fictief rendement van 4 procent op vermogens, waarover vervolgens 30 procent belasting moet worden betaald.

Dat rendement van 4 procent werd de afgelopen jaren in werkelijkheid echter vaak niet gehaald vanwege de lage rente. De heffing is daarom volgens de klagers in strijd met het eigendomsrecht, zoals dat is vastgelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.

Niet bewezen

De rechtbank is het daar niet mee eens, omdat niet is bewezen dat het rendement van 4 procent voor particuliere beleggers volstrekt onhaalbaar was. Dat spaartegoeden geen 4 procent rendement opleveren, is in dat verband niet voldoende, aldus de rechter.

Er bestaan meerdere manieren om vermogen te investeren. Bij de vermogenrendementsheffing wordt namelijk geen onderscheid gemaakt naar het type bezitting. Daarom is het volgens de rechtbank niet terecht om in de zaak alleen maar te kijken naar spaartegoeden.

Staatsobligaties

De rechter benadrukt dat de wetgever ervan uitgaat dat iedereen in staat was om in de praktijk over een langere periode een rendement van 4 procent te kunnen behalen zonder veel risico te nemen.

Daarbij werd ook uitgegaan van “een zekere actieve houding” bij belastingplichtigen om, zonder veel risico te nemen, rendement te behalen op hun bezittingen. Dit konden ze bijvoorbeeld bereiken door te beleggen in staatsobligaties. Dat vindt de rechter een redelijke veronderstelling.

Hoge Raad

De rechter boog zich over twee zaken waarin belastingplichtigen stelden dat in de jaren 2013 en 2014 het forfaitaire rendement van 4 procent te veel afwijkt van het rendement dat daadwerkelijk kon worden behaald.

De Hoge Raad oordeelde eerder al dat de rendementsheffing in de jaren 2010 en 2011 niet in strijd was met het Europese verdrag. De rechtbank zag geen reden om voor 2013 en 2014 anders te oordelen.

Teleurstellend

De Bond voor Belastingbetalers zegt dat de uitspraak van woensdag inderdaad in lijn is met eerdere uitspraken. “Het is teleurstellend om te constateren dat de rechtbank niet de moed lijkt te hebben om spaarders rechtsbescherming te bieden”, zegt voorzitter Jurgen de Vries van de Bond voor Belastingbetalers.

“Een ander opvallend aspect in de uitspraak van rechtbank Breda is dat de nadruk wordt gelegd op het moeten beleggen in staatsobligaties. De wetgever zou burgers dus in feite verplichten om wel degelijk risico te nemen”, meent de organisatie.

De bond wijst erop dat spaarders met beleggingen in langjarige staatsobligaties risico lopen. “Deze benadering van de rechtbank inzake het rendement dat iedere sukkel zou moeten kunnen halen, doet geen recht aan de uitgangspunten van de wetgever van destijds.”

Het vonnis van woensdag is de eerste uitspraak in een serie van zes zaken waar de Bond van Belastingbetalers bij betrokken is. Deze uitspraak heeft volgens de bond dan ook “nog geen definitieve gevolgen”.

De uitspraken van andere rechtbanken volgen nog binnenkort. Daarna worden de zaken gezamenlijk voorgelegd aan de Hoge Raad. Het oordeel van de Hoge Raad zal dan allesbepalend zijn. Het kan nog wel even duren voordat dit vonnis er is. “Met deze uitspraak is de procedure zeker nog niet verloren.”

Andere berekening

Overigens wordt de belasting vanaf dit jaar op een andere manier berekend. Er zijn voortaan drie vermogensschijven waarbij twee belastingtarieven gebruikt worden.

In de eerste schijf tot 75.000 euro wordt ruim twee derde van het belastbare deel van het vermogen belast met een percentage van 1,63 procent. De rest met 5,39 procent. Over dit berekende voordeel moet dan 30 procent belasting betaald worden.

In de tweede schijf van 75.000 tot 975.000 euro ligt de verhouding iets anders. In de hoogste schijf wordt alleen het percentage van 5,39 procent gebruikt.

Bron: Nu.nl

Wijziging teruggaaf btw bij oninbare vorderingen

Vanaf 1 januari 2017 gelden andere regels voor het aanmerken van een vordering als oninbaar en voor de manier... Lees meer >

Vanaf 1 januari 2017 gelden andere regels voor het aanmerken van een vordering als oninbaar en voor de manier waarop de betaalde btw kan worden teruggevraagd. Daarnaast geldt een aanpassing voor het terugbetalen van afgetrokken voorbelasting door het niet betalen van de vordering.

De leverancier kan zijn op aangifte betaalde btw terugvragen zodra het zeker is dat zijn vordering (gedeeltelijk) oninbaar is.
Nieuw is dat de vordering in ieder geval 1 jaar ná de uiterste betaaldatum van de factuur, als oninbaar wordt aangemerkt.
Daarnaast hoeft voor de teruggaaf geen apart verzoek meer te worden ingediend.
De teruggaaf kan worden verwerkt in de btw-aangifte.
Meer informatie, leest u bij Teruggaaf door oninbare vorderingen.

Terugbetalen van afgetrokken voorbelasting

De afnemer moet zijn op aangifte afgetrokken voorbelasting terugbetalen als hij het factuurbedrag (deels) heeft teruggekregen of op het moment dat duidelijk is dat hij de factuur niet (helemaal) gaat betalen.
Nieuw is dat de afnemer de btw uiterlijk 1 jaar ná de uiterste betaaldatum van de factuur, moet terugbetalen.
Meer informatie, leest u bij Niet-betaalde facturen.

Bron: Belastingdienst

Hebben erfgenamen ook rente op hypotheekrente-aftrek

De aftrek van hypotheekrente staat al jaren op de tocht. Telkens wordt er geknabbeld aan de aftrekbaarheid van de... Lees meer >

De aftrek van hypotheekrente staat al jaren op de tocht. Telkens wordt er geknabbeld aan de aftrekbaarheid van de hypotheekrente. De regelgeving is zo complex geworden, dat de gemiddelde boekhouder en belastingambtenaar er niet meer uitkomen, laat staan de gemiddelde burger. Toch houdt de overheid enerzijds vast aan de aftrek van hypotheekrente (omdat het altijd zo is geweest en afschaffing te grote consequenties heeft voor de woningmarkt) en wil ze anderzijds de wet begrijpelijk houden. Dat levert een enorm spanningsveld op. In dit artikel wordt een probleem onder de loep genomen, waar je niet iedere dag over nadenkt. Want wat gebeurt er eigenlijk als je een huis en hypotheek hebt en je komt te overlijden. Hebben de erfgenamen dan recht op hypotheekrente-aftrek?

Om die vraag te beantwoorden, bekijken we eerst het geval wat beter. Stel dat oom Jan in 2010 (alleen op zijn naam) een huis heeft gekocht. Hij heeft daarvoor € 250.000 gefinancierd bij de bank. Oom Jan mag de hele € 250.000 aanmerken als zogenaamde eigenwoningschuld. Hij mag daarom de rente aftrekken. Maakt het ook uit of de geldverstrekker een hypotheekakte laat opstellen (waarmee oom Jan zijn huis in onderpand geeft tot zekerheid voor de terugbetaling van het geleende geld)? Nee, dat maakt niet uit. Het gaat erom dat oom Jan het geld gebruikt voor de aankoop (en/of verbouwing) van zijn eigen woning. We gaan ervan uit dat hier wel een hypotheekakte is opgesteld en dat oom Jan zelf in het huis is gaan wonen. Moet oom Jan de hypotheekschuld ook aflossen? Nee, dat hoeft niet persé, tenzij de bank dat toch als voorwaarde heeft gesteld. Voor 2013 was het voor de belastingaftrek niet noodzakelijk om de hypotheek maandelijks af te lossen. Maar ja, dat wil nog niet zeggen dat de bank ook altijd deed wat voor de belasting mocht. De meeste banken hadden en hebben namelijk als stelregel dat maximaal de helft van de lening aflossingsvrij mag zijn, ook al zou het voor de belasting toegestaan zijn alles aflossingsvrij te lenen.

Laten we ervan uitgaan dat oom Jan de helft van de lening aflossingsvrij heeft en de rest annuïtair. Hij mag dan alle rente aftrekken. Wat nou als oom Jan na 5 jaar zou komen te overlijden? Mogen zijn erfgenamen de rente dan blijven aftrekken? Dat ligt eraan. We bekijken 3 situaties:

a. oom Jan is ongetrouwd en laat alles na aan neef Wim (die ook alleenstaand is);
b. oom Jan is getrouwd met tante Petra en die erft het hele huis met de schuld;
c. oom Jan is ongetrouwd en woont samen met Anja (zij hebben geen kinderen). Anja erft het hele huis met de schuld.

In situatie a mag Wim de rente niet aftrekken, ook niet tijdens de periode dat het huis te koop staat. Dat komt omdat Wim niet ‘in het huis’ woont. Dat Wim als erfgenaam in feite wel ‘in de schoenen’ van oom Jan treedt, doet niet ter zake. Zo’n zelfde situatie geldt als vader Kees het huis nalaat aan zijn vier kinderen, en deze kinderen het huis gaan verkopen. Ook dan hebben de kinderen geen hypotheekrente-aftrek gedurende de tijd dat het huis in de verkoop staat.

In situatie b mag Petra de rente wel aftrekken: zij treedt als fiscaal partner (juridisch en fiscaal) ‘in de schoenen’ van oom Jan. Zij hoeft dan niet aan de nieuwe regels te voldoen van de annuïtaire aflossing. Wel geldt dat zij minder dan 30 jaar aftrek krijgt: zij zet de lopende hypotheek van oom Jan voort en mag dus nog maar 25 jaar de hypotheekrente aftrekken.

In situatie c mag Anja de rente wel aftrekken, mits zij aan de nieuwe regels gaat voldoen: met andere woorden, zij moet met de bank afspreken dat de hele (resterende) hypotheek annuïtair wordt afgelost in (ten hoogste) 30 jaar.

Zou je in situatie c ook kunnen bereiken, dat Anja de lopende hypotheek kan voortzetten en toch de rente mag aftrekken? Ja, daarvoor is het nodig dat oom Jan en Anja fiscaal partner voor elkaar worden. Dit kunnen zij bijvoorbeeld bereiken met een samenlevingscontract. Zijn ze fiscaal partner, dan geldt dezelfde situatie als hiervoor onder b. is beschreven voor Petra.

Stel dat we nog in situatie a zijn: als Wim het interessant vindt om in het huis te gaan wonen, zou hij ervoor kunnen kiezen, als oom Jan dat goed vindt, om bij oom Jan te gaan wonen en dan ook nog het liefst met hem een samenlevingscontract op te stellen. Wim zou dan aftrek van de hypotheekrente krijgen en bij het zijn van fiscaal partner zelfs de lening van oom Jan mogen voortzetten, mits uiteraard de bank hier ook mee akkoord gaat.

Bron: Actuele artikelen

Alimentatie voor een jong-meerderjarig kind

Kinderalimentatie dient te worden betaald tot de 18e verjaardag van het kind. Echter... Lees meer >

Kinderalimentatie dient te worden betaald tot de 18e verjaardag van het kind. Echter, ook over de periode dat het kind jong-meerderjarig is, tussen de 18e en 21ste verjaardag, heeft het kind recht op een bijdrage van de ouders in zijn/haar kosten van levensonderhoud en studie. Tot aan de 18e verjaardag dient de alimentatie aan de verzorgende ouder waar het kind woont te worden voldaan; na de 18e verjaardag dient de bijdrage, tenzij ouders daar andere afspraken over maken, aan het kind zelf betaald te worden. Anders dan voor minderjarigen, is voor de berekening van de behoefte van studerende meerderjarige kinderen in de leeftijd van 18 tot 21 jaar nog geen systeem ontwikkeld.

Doorgaans wordt om die reden voor deze studerende meerderjarige kinderen voor de behoeftebepaling aansluiting gezocht bij de zogenoemde WSF-norm, waarin bedragen zijn verdisconteerd voor levensonderhoud, ziektekosten en studiekosten. WSF staat voor Wet Studiefinanciering. Het is voor een jong-meerderjarige ook relatief eenvoudig om aan te tonen dat voor een bepaalde post uit deze norm in dit specifieke geval een hogere behoefte geldt. Nu het bij het bepalen van alimentatie voor een jong-meerderjarig kind veelal om maatwerk gaat, is dit een belangrijk punt. Immers dat de jong-meerderjarige behoeftig is staat wettelijk vast, maar hoe hoog die behoefte is zal door de jong-meerderjarige aangetoond moeten worden.

Veel jong-meerderjarigen zullen ook enige eigen inkomsten hebben in de vorm van een bijbaan. Bij het bepalen van de behoefte van een jong-meerderjarige aan een bijdrage in zijn/haar levenshoud tellen deze inkomsten ook mee. Er mag niet van een jong-meerderjarige verwacht worden dat hij/zij zorgt voor eigen inkomsten, maar als ze er zijn dan worden deze op grond van redelijkheid en billijkheid afgetrokken van de behoefte. Belangrijk om te weten is ook dat een jong-meerderjarige zelf dient te procederen in dit soort kwesties: hij of zij kan zich niet meer laten vertegenwoordigen door een van de ouders.

Bron: Actuele artikelen

Privégebruik auto: wijzigingen bijtelling 2017

Vanaf 2017 veranderen de CO₂-uitstootgrenzen en de bijbehorende bijtellingspercentages voor het privégebruik van personen- en bestelauto’s van de zaak.... Lees meer >

Vanaf 2017 veranderen de CO₂-uitstootgrenzen en de bijbehorende bijtellingspercentages voor het privégebruik van personen- en bestelauto’s van de zaak. Het maakt niet uit op welke brandstof de auto rijdt. De uitstootgrenzen en bijbehorende bijtellingspercentages zijn in alle gevallen hetzelfde.

De bijtelling voor auto’s met een datum van eerste toelating op de weg in Nederland of waar ook ter wereld (hierna: DET) van 1 januari 2017 of later is 22% van de cataloguswaarde. Voor nieuwe auto’s zónder CO₂-uitstoot geldt een bijtelling van 4%.

image
Deze percentages gelden niet bij excessief privégebruik. Hiervan is sprake als de waarde van het privégebruik meer is dan het bedrag van de bijtelling.

60 maanden periode
Het 4%-percentage geldt voor 60 maanden. De termijn van 60 maanden start op de 1e dag van de maand na de maand van de DET van de auto. Het percentage blijft ook gelden als de auto van eigenaar wisselt of als een andere werknemer de auto gaat gebruiken. Direct na afloop van de periode van 60 maanden stelt u het percentage opnieuw vast aan de hand van de regels die op dat moment gelden.

DET vóór 2017
Ligt de datum eerste toelating vóór 2017, dan vindt u de bijtellingspercentages op de website van de Belastingdienst.

Wettelijk minimumloon jan 2017

Iedere werknemer heeft recht op een minimuminkomen. Voor werknemers vanaf 23 jaar geldt het wettelijk minimumloon (WML).... Lees meer >

Iedere werknemer heeft recht op een minimuminkomen. Voor werknemers vanaf 23 jaar geldt het wettelijk minimumloon (WML). Bent u jonger dan 23 jaar, dan hebt u recht op het minimumjeugdloon. Bij de hoogte van het minimumjeugdloon wordt gekeken naar hoe oud iemand is. Dat betekent dat u tot uw 23ste na iedere verjaardag recht heeft op meer loon.
Als u in deeltijd werkt, dan is het bruto minimumloon evenredig lager. Als u bijvoorbeeld drie volle dagen werkt, dan hebt u recht op 3/5 van het wettelijk minimumloon. Dit geldt ook voor jongeren die gedeeltelijk leerplichtig zijn en nog enkele dagen per week onderwijs volgen.
De bedragen van het minimumloon gelden voor een volledige werkweek zoals die gebruikelijk is in het bedrijf. Meestal is dat 36, 38 of 40 uur per week.

Wettelijk minimumloon per 1 januari 2017Per 1 januari 2017 stijgt het wettelijk minimumloon met 0,94 procent.

Het bruto minimumloon en de minimumjeugdlonen bij een volledig dienstverband per 1 januari 2017:

Leeftijd % van het
minimumloon
per maand per week per dag
23 jaar en ouder 100 % 1.551,60 358,05 71,61
22 jaar 85 % 1.318,85 304,35 60,87
21 jaar 72,5 % 1.124,90 259,60 51,92
20 jaar 61,5 % 954,25 220,20 44,04
19 jaar 52,5 % 814,60 188,00 37,60
18 jaar 45,5 % 706,00 162,90 32,58
17 jaar 39,5 % 612,90 141,45 28,29
16 jaar 34,5 % 535,30 123,55 24,71
15 jaar 30 % 465,50 107,40 21,48

Het bruto minimumloon per 1 januari 2017, per gewerkt uur bij een 36-, 38- en 40-urige werkweek:

Leeftijd 

 

36 uur per week 

minimumloon per uur:

38 uur per week 

minimumloon per uur:

40 uur per week 

minimumloon per uur:

23 jaar en ouder 9,95 9,43 8,96
22 jaar 8,46 8,01 7,61
21 jaar 7,22 6,84 6,49
20 jaar 6,12 5,80 5,51
19 jaar 5,23 4,95 4,70
18 jaar 4,53 4,29 4,08
17 jaar 3,93 3,73 3,54
16 jaar 3,44 3,26 3,09
15 jaar 2,99 2,83 2,69

Personeelswetswijzigingen in 2017

Een nieuw jaar kent altijd weer nieuwe regels voor werkgevers en werknemers.... Lees meer >

Een nieuw jaar kent altijd weer nieuwe regels voor werkgevers en werknemers. Ook in 2017 is dit het geval. Bent u op de hoogte van de belangrijkste veranderingen die per 1 januari zijn geïntroduceerd?

In vergelijking met vorige jaren is de impact van de wijzigingen in de wet- en regelgeving beperkt. De Tweede Kamerverkiezing, die in maart plaatsvindt, is hierbij van invloed. Na de verkiezingen kunnen organisaties grotere wetswijzigingen verwachten. Toch vereisen ook de nieuwe regels per 1 januari 2017 de aandacht van werkgevers.

Welke maatregelen gelden sinds de jaarwisseling?

  • Een verbod op inhoudingen op en verrekeningen met het wettelijk minimumloon. Slechts voor een aantal specifieke betalingen mag een werkgever van het verbod afwijken.
  • De introductie van het lage-inkomensvoordeel (LIV). Werkgevers kunnen een tegemoetkoming krijgen voor werknemers die minimaal 100% en maximaal 125% van het minimumloon verdienen.
  • Werkgevers betalen in 2017 één gecombineerde WGA-premie, omdat de WGA-vast en WGA-flex zijn samengevoegd. Voor eigenrisicodragers voor de WGA is het één en ander veranderd.
  • De Participatiewet is aangepast. De hele doelgroep van de wet valt nu onder de no-riskpolis.
  • Het aantal bijtellingspercentages is teruggebracht naar twee: 22% of 4%.
  • De maximale transitievergoeding bedraagt in 2017 € 77.000.
  • De AOW-gerechtigde leeftijd is nu 65 jaar en negen maanden (en zal verder gaan stijgen).
  • Het wettelijk minimumloon voor een fulltimer is gestegen naar € 1.551,60 per maand.

Wat gaat er dit jaar nog meer veranderen?

Verderop in het jaar volgen nog meer maatregelen. Zo wordt de Arbowet gewijzigd en gaan er voor het wettelijk minimum(jeugd)loon nieuwe regels gelden. Oorspronkelijk zou ook de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) dit jaar volwaardig van kracht worden, maar de implementatiefase van deze wet is verlengd tot in ieder geval 2018.

Voorlopige aanslag 2017 mogelijk verkeerd berekend

Hebt u een voorlopige aanslag voor 2017 aangevraagd of gewijzigd op Mijn Belastingdienst?... Lees meer >

Hebt u een voorlopige aanslag voor 2017 aangevraagd of gewijzigd op Mijn Belastingdienst? En hebt u hierin méér dan 3 inkomsten uit vroegere dienstbetrekking ingevuld? Dan klopt de berekening van het bedrag van de voorlopige aanslag mogelijk niet.

Bij het invullen van meer dan 3 inkomsten uit vroegere dienstbetrekking is het inkomen van uw klant verkeerd berekend. Hierdoor klopt het bedrag van de voorlopige aanslag mogelijk niet.

De Belastingdienst onderzoekt momenteel de mogelijkheden om dit voor uw klant te herstellen door het inkomen en de voorlopige aanslag alsnog juist te berekenen.

Daarnaast wordt op korte termijn een nieuwe versie van het programma voor het aanvragen of wijzigen van de voorlopige aanslag 2017 geplaatst op Mijn Belastingdienst waarin dit probleem niet meer voorkomt.

Meer informatie
Voorlopig hoeft u nog niks te doen. Zodra er meer informatie beschikbaar is, plaatst de redactie een update op het Forum.

Bron: belastingdienst.nl

Wijziging teruggaaf btw bij oninbare vorderingen

Vanaf 1 januari 2017 gelden andere regels voor het aanmerken van een vordering als oninbaar en voor de manier... Lees meer >

Vanaf 1 januari 2017 gelden andere regels voor het aanmerken van een vordering als oninbaar en voor de manier waarop de betaalde btw kan worden teruggevraagd. Daarnaast geldt een aanpassing voor het terugbetalen van afgetrokken voorbelasting door het niet betalen van de vordering.

De leverancier kan zijn op aangifte betaalde btw terugvragen zodra het zeker is dat zijn vordering (gedeeltelijk) oninbaar is.

Nieuw is dat de vordering in ieder geval 1 jaar ná de uiterste betaaldatum van de factuur, als oninbaar wordt aangemerkt. Daarnaast hoeft voor de teruggaaf geen apart verzoek meer te worden ingediend. De teruggaaf kan worden verwerkt in de btw-aangifte.

Meer informatie leest u op de site van de Belastingdienst bij Teruggaaf door oninbare vorderingen.

Terugbetalen van afgetrokken voorbelasting
De afnemer moet zijn op aangifte afgetrokken voorbelasting terugbetalen als hij het factuurbedrag (deels) heeft teruggekregen of op het moment dat duidelijk is dat hij de factuur niet (helemaal) gaat betalen.

Nieuw is dat de afnemer de btw uiterlijk 1 jaar ná de uiterste betaaldatum van de factuur, moet terugbetalen.

Meer informatie leest u op de site van de Belastingdienst bij Niet-betaalde facturen.

Bron: belastingdienst.nl