Nieuws

Arbeidsrechtelijke wijzigingen per 1 juli 2016

Per 1 juli 2016 vindt een aantal arbeidsrechtelijke wijzigingen plaats. Met welke relevante arbeidsrechtelijke wijzigingen moet u vanaf 1... Lees meer >

Per 1 juli 2016 vindt een aantal arbeidsrechtelijke wijzigingen plaats.
Met welke relevante arbeidsrechtelijke wijzigingen moet u vanaf 1 juli 2016 rekening houden?

Ketenregeling – vanaf 1 juli 2016

Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan maximaal drie keer achtereenvolgend worden aangegaan zonder dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat. De vierde daaropvolgende arbeidsovereenkomst zal worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Om te voorkomen dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat, kan de keten van opvolgende arbeidsovereenkomsten worden doorbroken door een tussenpoos te hanteren van meer dan zes maanden.

Voor sommige branches is de tussenpoos van zes maanden een te zware beperking op de bedrijfsvoering gebleken ten opzichte van de situatie vóór 1 juli 2015. Voorheen was een tussenpoos van drie maanden immers voldoende om de keten te doorbreken. De wetswijziging op dit punt houdt in dat bij cao de te hanteren tussenpoos van zes maanden kan worden teruggebracht naar drie maanden. Dit is mogelijk voor functies waarin de werkzaamheden als gevolg van klimatologische of natuurlijke omstandigheden seizoensgebonden zijn en gedurende ten hoogste negen maanden per jaar kunnen worden verricht. De cao Open Teelten is de eerste cao met uitzondering op de ketenbepaling voor seizoensarbeid.

Besluit overgangsrecht transitievergoeding – deel komt te vervallen met ingang van 1 juli 2016

Op 1 juli 2015 is het Besluit overgangsrecht transitievergoeding in werking getreden. Dit Besluit heeft als doel dubbele betalingen te voorkomen. Sinds 1 juli 2015 geldt namelijk dat een werkgever een transitievergoeding verschuldigd is aan de werknemer, mits aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Echter, de werkgever kan bij een beëindiging van een arbeidsovereenkomst tegelijkertijd ook gebonden zijn aan afspraken omtrent een vergoeding, gemaakt voor 1 juli 2015. Het Besluit overgangsrecht transitievergoeding is/was bedoeld om dit in goede banen te leiden.

Kort gezegd regelt het betreffende Besluit dat – indien sprake is van lopende collectieve afspraken met
verenigingen van werknemers (in een cao of een sociaal plan) – deze afspraken voorgaan op de transitievergoeding. Indien sprake is van overige lopende afspraken (gemaakt tussen de individuele werknemer en de werkgever of gemaakt tussen de werkgever en de OR), dan heeft de werknemer de keuze tussen de transitievergoeding of de vergoedingen/voorzieningen op grond van de overige lopende afspraken.

In het Besluit is opgenomen dat indien per 1 juli 2015 geldende aanspraken, of onderdelen daarvan, na die datum uitdrukkelijk worden verlengd, worden gewijzigd of komen te vervallen, de overgangsregeling niet langer van toepassing is. Op dat moment is hoe dan ook de transitievergoeding verschuldigd, al dan niet naast de eventueel gewijzigde afspraak.

Voor de collectieve afspraken met verenigingen van werknemers is een einddatum opgenomen. De
overgangsregeling geldt namelijk tot uiterlijk 1 juli 2016. Partijen hebben zo de tijd gekregen om nieuwe afspraken te maken. Mochten er echter geen nieuwe afspraken worden gemaakt, dan is de werkgever gehouden de afspraken na te komen én de transitievergoeding te voldoen.

Voor overige lopende afspraken is afgezien van het stellen van een algemene einddatum. Het argument hiervoor is dat werknemers door het keuzemodel geen nadeel ondervinden.

Wet aanpak schijnconstructies (WAS) – deels uitgesteld tot 1 januari 2017

In de Wet aanpak schijnconstructies (WAS) is het verbod op het inhouden of verrekenen van bedragen (zoals vergoedingen of andere kosten) met het wettelijk minimumloon opgenomen.

In tegenstelling tot eerdere berichtgeving treedt dit verbod niet met ingang van 1 juli 2016 in, maar is dit uitgesteld tot  1 januari 2017.

Op dit verbod is overigens onlangs een uitzondering aangenomen die tevens met ingang van 1 januari 2017 inwerking zal treden. Het betreft het verrekenen van huisvestingskosten en premies ziektekostenverzekeringen voor werknemers.

Wet minimumloon – vanaf 1 juli 2016

De bedragen van het wettelijk minimumloon worden per 1 juli 2016 verhoogd. Het wettelijk minimumloon voor werknemers van 23 jaar en ouder bij een volledig dienstverband bedraagt per 1 juli 2016 het minimum maandloon: € 1.537,20, het minimum weekloon: € 354,75 en het minimum dagloon: € 70,95.

 

WGA-vast en WGA-Flex worden samengevoegd

Per 1 januari 2017 worden de premiedelen WGA-vast en WGA-flex samengevoegd tot één premie, de WGA-totaal.... Lees meer >

De WHK premie bestaat op dit moment uit drie delen, de WGA-vast, WGA-flex en de ZW-flex. Per 1 januari 2017 worden de premiedelen WGA-vast en WGA-flex samengevoegd tot één premie, de WGA-totaal. De premieopbouw voor grote en middelgrote werkgevers zal hierdoor veranderen. Omdat deze onder- en bovengrenzen afzonderlijk bepaald worden, kan het zo zijn dat een werkgever voor WGA-flex de maximumpremie betaalt en voor WGA-vast niet (of andersom). Dat kan ervoor zorgen dat de WGA-totaal-premie per 2017 hoger uitvalt.

LET OP !!
Voor werkgevers die vanuit de publieke verzekering per 1 januari 2017 eigenrisicodrager willen worden, geldt de normale termijn. De aanvraag en garantieverklaring van deze nieuwe eigenrisicodragers moeten dus 13 weken voor start van het eigenrisicodragerschap (dus in dit geval uiterlijk 1 oktober) ontvangen zijn door de Belastingdienst.

Eerste drie jaar geen gebruikelijk loon

Vanaf 2017 hoeft een DGA (directeur-grootaandeelhouder) zichzelf gedurende de eerste drie jaar niet meer het gebruikelijk loon te betalen.... Lees meer >

Oprichters van startups zijn vanaf 2017 niet langer verplicht om zichzelf een gebruikelijk loon toe te kennen van € 44.000. Gedurende de eerste drie jaar mogen zij zichzelf een salaris uitbetalen dat minimaal het minimumloon bedraagt. Dit hebben minister Kamp van Economische Zaken en staatssecretaris Wiebes van Financiën bekendgemaakt.

Het kabinet heeft € 50 miljoen beschikbaar gesteld om startups en doorgroeiende bedrijven een extra boost te geven. De regering gebruikt een deel van het geld om te investeren in startups in het midden- en kleinbedrijf. Met het resterende deel van het geld wil het kabinet de gebruikelijkloonregeling versoepelen. Zo blijft er voor startups meer geld over om te investeren in vernieuwingen en kunnen ze makkelijker doorgroeien.

Meest vergelijkbare dienstbetrekking

Een directeur-grootaandeelhouder (dga) moet zich volgens de gebruikelijkloonregeling in 2016 minimaal
€ 44.000 uitbetalen. Hij mag afwijken van dit bedrag, maar dan moet hij wel aannemelijk maken dat een lager loon bij een meest vergelijkbare dienstbetrekking van een werknemer, die geen dga is, gebruikelijk is.

Gebruikelijk loon minimaal stellen op hoogte minimumloon

In de wereld van de startups is het echter zeer ongebruikelijk dat een oprichter zichzelf een salaris toekent van € 44.000. Vanaf 2017 wordt daarom de gebruikelijkloonregeling voor startups versoepeld. Gedurende de eerste drie jaar van de startup mogen oprichters zichzelf een salaris uitbetalen dat minimaal het minimumloon bedraagt. Het is nu al mogelijk om in overleg met de Belastingdienst het gebruikelijk loon te verlagen, maar vanaf volgend jaar wordt dit dus wettelijk vastgelegd.

Verhoging Min. jeugd loon per 1 juli, let op ook voor vakantiekrachten

Iedere werknemer heeft recht op een minimuminkomen. Voor werknemers vanaf 23 jaar geldt het wettelijk minimumloon (WML). Bent u... Lees meer >

Ook vakantiewerkers hebben recht op het wettelijk minimum loon. Let er dus op dat u de vakantiekrachten voldoende betaalt.

In onderstaande tabel kunt u lezen welke bedragen medewerkers minimaal moeten ontvangen voor de arbeid die zij verrichten uitgaande van een 40-urige werkweek. Voor 13- en 14-jarigen is er geen minimumloon, maar ook zij werken in het algemeen niet voor niets. Veelal wordt hiervoor het bruto minimum(jeugd)uurloon voor 15-jarigen aangehouden.

leeftijd per dag per week per maand
23 jaar en ouder € 70,95 € 354,75 € 1.537,20
22 jaar € 60,31 € 301,55 € 1.306,60
21 jaar € 51,44 € 257,20 € 1.114,45
20 jaar € 43,63 € 218,15 €    945,40
19 jaar € 37,25 € 186,25 €    807,05
18 jaar € 32,28 € 161,40 €    699,45
17 jaar € 28,03 € 140,15 €    607,20
16 jaar € 24,48 € 122,40 €    530,35
15 jaar € 21,29 € 106,45 €    461,15

Tabel: bedragen minimumloon per uur (bruto) per 1 juli 2016

Leeftijd 36 uur per week 38 uur per week 40 uur per week
23 jaar en ouder € 9,86 € 9,34 € 8,87
22 jaar € 8,38 € 7,94 € 7,54
21 jaar € 7,15 € 6,77 € 6,43
20 jaar € 6,06 € 5,75 € 5,46
19 jaar € 5,18 € 4,91 € 4,66
18 jaar € 4,49 € 4,25 € 4,04
17 jaar € 3,90 € 3,69 € 3,51
16 jaar € 3,40 € 3,23 € 3,06
15 jaar € 2,96 € 2,81 € 2,67

 

arbeidstijdenwet minderjarigen

Voor minderjarige vakantiewerkers gelden strenge regels op grond van de Arbowetgeving en Arbeidstijdenwet... Lees meer >

Voor minderjarige vakantiewerkers gelden strenge regels op grond van de Arbowetgeving en Arbeidstijdenwet. Er gelden belangrijke beperkingen voor wat betreft het soort werkzaamheden en voor de duur van de arbeid.

Kinderen jonger dan 13

Kinderen jonger dan 13 jaar mogen überhaupt niet werken.

13 en 14-jarigen

Kinderen van 13 en 14 mogen alleen niet-industriële arbeid van lichte aard verrichten. Het gaat hier om ‘hand- en spandiensten’. Er mogen klusjes worden gedaan of iemand mag worden geholpen bij het werk, altijd onder toezicht en er mag niet in een fabriek of met machines worden gewerkt. Voorbeelden van het werk dat gedaan mag worden: oppassen, verspreiden van folders of huis-aan-huisbladen, helpen in de huishouding, helpen bij licht werk op een (kinder)boerderij of manege, pretpark, camping of speeltuin, lichte werkzaamheden in de land- en tuinbouw en helpen in een winkel, zoals helpen bij het inpakken en vakkenvullen (maar niet achter de kassa).

13 en 14-jarigen mogen per jaar niet meer dan vier weken werken, waarvan maximaal drie weken aaneengesloten. Tijdens vakanties mogen ze per dag zeven uur werken en per week 35 uur. Tussen 19:00 en 7:00 mogen ze niet werken. Tussen twee werkdagen moet ten minste 14 uur rust zitten. Op zondag mag niet gewerkt worden.

15-jarigen

15-jarigen mogen iets langer werken. Voor hen geldt een maximum van acht uur per dag, 40 uur per week en zes werkweken per jaar (waarvan vier aaneengesloten). Tussen twee werkdagen moet ten minste 12 uur rust zitten. Tussen 19:00 en 7:00 mogen ze niet werken en op zondag mag dat alleen maar als dat in het bedrijf gebruikelijk is.

Ook 15-jarigen mogen alleen niet-industriële arbeid van lichte aard verrichten, wel iets zelfstandiger dan 13 en 14-jarigen. Voorbeelden van werk dat gedaan mag worden: licht werk in een winkel (opruimen of klanten helpen, maar niet afrekenen of achter de kassa), groente- en fruit plukken, folders of huis-aan-huisbladen rondbrengen, avondkranten bezorgen, werken in een pretpark, museum, manege of camping en ochtendkranten bezorgen.

16 en 17-jarigen

Jongeren van 16 en 17 mogen hoogstens negen uur per dag werken, 45 uur per week en 160 uur per maand. Op zondag mag gewerkt worden als dat in het bedrijf gebruikelijk is. Jongeren van deze leeftijd mogen vrijwel alle werkzaamheden verrichten. Als het echter om gevaarlijk of zwaar werk gaat, moet er toezicht zijn.

Sancties

Houdt de werkgever zich niet aan deze regels, dan kan de Inspectie SZW forse boetes opleggen, oplopend tot enkele duizenden euro’s.

Bron Inspectieszw

Hoe berekent u de transitievergoeding

Per 1 juli 2015 moet u een transitievergoeding betalen aan werknemers die uit dienst treden en een dienstverband van... Lees meer >

Per 1 juli 2015 moet u een transitievergoeding betalen aan werknemers die uit dienst treden en een dienstverband van twee jaar of langer hebben gehad. In het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding is onlangs verduidelijkt welke looncomponenten u mee moet nemen bij het berekenen van de transitievergoeding.

In het bericht ‘Hoogte vergoeding bij vergeten aanzegtermijn’ heeft u eerder kunnen lezen dat u bij het berekenen van de vergoeding bij het niet in acht nemen van de aanzegtermijn uitgaat van het ‘kale’ loon. Voor de transitievergoeding geldt een ruimer loonbegrip. Bij het berekenen van de transitievergoeding telt u de volgende looncomponenten bovenop het maandsalaris:

  • 1/12e deel van de vakantiebijslag en de eindejaarsuitkering waar de werknemer binnen twaalf maanden recht op zou hebben als de arbeidsovereenkomst was voortgezet;
  • 1/12e deel van de overeengekomen vaste looncomponenten die u verschuldigd bent geweest in de twaalf maanden voorafgaand aan het einde van de arbeidsovereenkomst. Hieronder vallen bijvoorbeeld overwerkvergoedingen en ploegentoeslagen.
  • 1/36e deel van de overeengekomen variabele looncomponenten die u verschuldigd bent geweest in de drie kalenderjaren voorafgaand aan het jaar waarop de arbeidsovereenkomst eindigt. Hieronder vallen bijvoorbeeld bonussen, winstuitkeringen en eindejaarsuitkeringen. Bij een korter dienstverband berekent u dit bedrag naar rato. Is een werknemer bijvoorbeeld 24 maanden in dienst geweest, dan deelt u de variabele looncomponenten door 24.

Hoogte van de transitievergoeding

De hoogte van de transitievergoeding is over de eerste tien jaar die een werknemer in dienst was 1/6 deel van het maandsalaris per half jaar (dit is gelijk aan 1/3 deel van het maandsalaris per jaar). Is een werknemer meer dan tien jaar in dienst geweest, dan ontvangt hij voor de jaren na zijn tiende dienstjaar 1/4 deel van het maandsalaris per half jaar (dit is gelijk aan een half maandsalaris per jaar). De transitievergoeding is maximaal € 75.000. Heeft een werknemer een jaarsalaris dat hoger is dan € 75.000, dan ontvangt hij maximaal dat jaarsalaris.

Uitstel indienen garantieverklaring 2017 voor bestaande eigenrisicodragers WGA

Minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) informeert de Tweede Kamer over een eenmalige termijnverlenging voor het indienen... Lees meer >

Minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) informeert de Tweede Kamer over een eenmalige termijnverlenging voor het indienen van een nieuwe garantieverklaring voor de Werkhervattingsregeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) 2017. Zijn voorstel is om de termijn te verlengen tot 31 december 2016. Het wetsvoorstel wordt naar verwachting tijdens het zomerreces ingediend.

Werkgevers kunnen nu alleen eigenrisicodrager worden voor de WGA-vast. Met ingang van 2017 verandert dit. Dan worden de risico’s voor WGA-vast en WGA-flex samengevoegd. Dan zijn werkgevers publiek verzekerd of eigenrisicodrager voor het gehele WGA-risico.

Voor wie uitstel?
Dit eenmalige uitstel geldt alleen voor werkgevers die al eigenrisicodrager voor de WGA-vast zijn en dit nu voor de hele WGA willen worden. Deze maatregel geeft de werkgevers en de verzekeraars meer ruimte om  hun administratie aan te passen.

Bij de keuze voor eigenrisicodragerschap moet dan 1 garantieverklaring worden overlegd voor het volledige risico. Deze moet ondertekend zijn door 1 garantsteller en het gehele WGA-risico afdekken.

Meer informatie
De volledige brief leest u op de site van SZW. Meer informatie over de wijzigingen in de WGA vindt u ook in een eerdere brief van de minister.

Algemene informatie over het eigenrisicodragerschap vindt u op de site van UWV.

LET OP !!
Voor werkgevers die vanuit de publieke verzekering per 1 januari 2017 eigenrisicodrager willen worden, geldt de normale termijn. De aanvraag en garantieverklaring van deze nieuwe eigenrisicodragers moeten dus 13 weken voor start van het eigenrisicodragerschap (dus in dit geval uiterlijk 1 oktober) ontvangen zijn door de Belastingdienst.

Inhouding op vakantiegeld in 2016 anders

In deze periode ontvangen de meeste werknemers hun vakantiegeld. Het nettobedrag wat overblijft na inhouding loonheffing is vaak lager... Lees meer >

In deze periode ontvangen de meeste werknemers hun vakantiegeld. Het nettobedrag wat overblijft na inhouding loonheffing is vaak lager dan verwacht. Dit leidt tot veel vragen van de werknemer. In deze handreiking geeft de Belastingdienst de belangrijkste informatie op een rij.

Een werkgever of uitkeringsinstantie moet vanaf 2016 op een andere manier belasting inhouden op bijzondere beloningen, zoals vakantiegeld, een bonus of een 13e maand. Hierdoor houdt een werknemer een ander bedrag over dan eerdere jaren.

Vanaf 2016 kan een werkgever of uitkeringsinstantie alleen nog de tabel bijzondere beloningen gebruiken. Deze tabel houdt er nog meer rekening mee dat de arbeidskorting inkomensafhankelijk is.

Doordat de loonheffing over vakantiegeld en andere bijzondere beloningen is veranderd, betaalt de belastingplichtige een ander bedrag aan belasting dan eerdere jaren:

–       Is het jaarinkomen ongeveer € 18.000 of lager? Dan betaalt de belastingplichtige minder belasting
en krijgt meer vakantiegeld uitbetaald.
–       Is het jaarinkomen hoger dan € 18.000? Dan betaalt de belastingplichtige meer belasting en krijgt dan
minder vakantiegeld uitbetaald.

Verschil tussen loonbelasting en inkomstenbelasting
Door deze wijziging is  het verschil tussen de loonheffing die een werkgever inhoudt en de inkomstenbelasting die de belastingplichtige zelf moet betalen minder groot. Zo wordt de kans kleiner dat er bij de aanslag inkomstenbelasting over 2016 moet worden bijbetaald of dat de belastingplichtige grote bedragen terugkrijgt.

Uw werknemer kan dit nalezen in een bericht op de site van de Belastingdienst.

Zo voorkom je een naheffing als zzp’er met nieuwe VAR

Zorg er ook voor dat je, ondanks een goedgekeurde modelovereenkomst, niet in de 'valkuil van de fictieve dienstbetrekking valt',... Lees meer >
Als een organisatie met ZZP-ers werkt en de arbeidsverhouding blijkt toch een dienstbetrekking te zijn, dan wordt er over de periode 1 mei 2016 tot 1 mei 2017 door de Belastingdienst geen naheffingsaanslag opgelegd. Staatssecretaris Wiebes schrijft dat in antwoord op Kamervragen. Hij maakt hierop wel 3 uitzonderingen:
  1. De opdrachtgever en opdrachtnemer werkten voorafgaand aan 1 april 2016 met een VAR-wuo of VAR-dga op basis waarvan de opdrachtgever vrijwaring had voor de loonheffingen, terwijl er feitelijk sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking. De opdrachtgever en opdrachtnemer ondernemen geen enkele activiteit en doen geen enkele inspanning om de arbeidsrelatie zodanig vorm te geven dat er buiten dienstbetrekking wordt gewerkt. Zij kunnen niet aannemelijk maken dat zij nog met elkaar in onderhandeling zijn over aanpassingen in hun overeenkomst of werkwijze teneinde buiten dienstbetrekking te werken. Zij maken ook geen gebruik van een door de Belastingdienst beoordeelde (model- of voorbeeld-) overeenkomst of hebben een daarmee overeenkomende overeenkomst afgesloten. De opdrachtgever en opdrachtnemer kiezen er tegelijkertijd niet voor om loonheffingen af te dragen of te voldoen.
  2. De Belastingdienst heeft in de periode voor 1 februari 2016 al schriftelijk kenbaar gemaakt dat de bij onderzoek aangetroffen arbeidsrelaties te duiden zijn als een (fictieve) dienstbetrekking. Dat er geen gevolg aan die conclusie kon worden verbonden ligt aan de vrijwarende werking van de VAR. De Belastingdienst stelt na 1 april 2016 vast dat de feiten en omstandigheden niet afwijken van die waarover eerder schriftelijk kenbaar is gemaakt dat er sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking en dat er geen loonheffingen worden afgedragen of voldaan. Tegelijkertijd kunnen opdrachtgever en opdrachtnemer niet aannemelijk maken dat zij inspanningen hebben verricht om hun werkwijze te veranderen zodat er buiten dienstbetrekking wordt gewerkt.
  3. Er is sprake van grove schuld of opzet die worden bestreken door de bestaande beleidsregels, zoals die zijn vervat in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Het is de inspecteur die grove schuld en opzet stelt en – bij betwisting – dient te bewijzen. Voor een eventuele strafrechtelijke handhaving blijft het bestaande beleidskader zoals verwoord in het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen, uiteraard ook van toepassing

bron: rtlz

Belastingrecht Illegale belastingontwijking

Belastingontduiking is illegaal, belastingontwijking niet. Maar het sentiment omtrent belastingontwijking is duidelijk veranderd... Lees meer >

Belastingontduiking is illegaal, belastingontwijking niet. Maar het sentiment omtrent belastingontwijking is duidelijk veranderd. Na nieuws over belastingontwijkende multinationals, staan sinds de Panama Papers (hierna: PP) ook belastingontwijkende particulieren met naam en toenaam in de krant. Aandacht voor belastingontwijking heeft eerder al geleid tot het zeer omvangrijke en succesvolle BEPS-project van de OESO.Inmiddels zijn zelfs diverse (inter)nationale anti-ontgaansmaatregelen ingevoerd.

Het is interessant om te bekijken of – en wat – de PP aan dit debat toevoegen.

In de PP gaat het om drie van elkaar te onderscheiden situaties, waarbij anonimiteit een belangrijke rol speelt. Situatie 1: de legale herkomst van het geld staat ter discussie. Deze categorie levert smeuïge verhalen op, waarbij namen van bekende personen vallen, die overigens ook zonder de PP met een zweem van onduidelijkheid waren omgeven. Voor de media interessant, voor het debat over belastingontwijking irrelevant.

Situatie 2: de ouderwetse belastingontduiker (en andere boeven) die anonimiteit aanwenden om buiten het zicht van de controlerende overheid (bijv. de Belastingdienst) te blijven. Strafbaar en verwerpelijk, maar van alle tijden. Hoogstens maakt dit duidelijk – voor hen die daaraan nog twijfelden – dat het internationale netwerk van fiscale gegevensuitwisseling nog niet is voltooid. Nog steeds voldoet een aantal landen niet aan de internationale standaarden. Ook niets nieuws: de OESO en EU hebben deze landen al geruime tijd in het snotje.

Situatie 3 is wel nieuw. Het gaat om degenen die een legale fiscale constructie hebben opgevolgd (belastingontwijking) en daarbij – beweerdelijk althans – onder de radar hebben willen blijven. Deze categorie leidt tot veel beroering. In deze bedenkelijke context worden wel erg gemakkelijk namen gepresenteerd. Laatst werd mij tijdens een interview gevraagd hoeveel juristen meewerken aan deze ‘illegale vorm van belastingontwijking’. Dat weet ik niet, antwoordde ik. Niet alleen omdat ik het precieze aantal betrokkenen niet ken, maar simpelweg ook omdat dit niet illegaal is. Maar ik vermoed dat het debat zich juist hierop zal richten. Het gebruik maken van of gelegenheid geven tot ‘illegale belastingontwijking’ wordt sterk veroordeeld. Maar dit is niet strafbaar indien van de anonimiteit richting de fiscus geen gebruik is gemaakt. Illegale belastingontwijking is een contradictio in terminis.

Bron: Mr-online

Wetsvoorstel Uitwerking Autobrief II bouwt de fiscale bevoordeling van de zuinige auto af

Vorig jaar heeft het kabinet Autobrief II gepresenteerd, waarin wordt teruggeblikt naar het fiscale beleid aangaande autobelastingen. En die... Lees meer >

Vorig jaar heeft het kabinet Autobrief II gepresenteerd, waarin wordt teruggeblikt naar het fiscale beleid aangaande autobelastingen. En die terugblik is wel interessant.

Het zal u niet ontgaan zijn dat de aanschaf en/of het gebruik van een zuinige auto afgelopen jaren is toegejuicht in Den-Haag. Een goede zaak, zou u op het eerste gezicht zeggen. De praktijk is echter weerbarstig en de stimuleringsmaatregelen van afgelopen jaren blijken de belastingbetaler geld te kosten, Europees klimaatbeleid te dwarsbomen en ingewikkelde wetgeving met zich mee te brengen die niemand meer snapt.

Hoe kan dit nu? Op het eerste gezicht lijkt het beleid geslaagd, zeker gezien het feit dat de gemiddelde CO2-uitstoot van nieuwe auto’s in Nederland gedaald afgelopen jaren. Uit onderzoek van onder meer de Algemene Rekenkamer en de Oeso blijkt dat deze positieve CO2 resultaten echter vooral op het conto van het Europese bronbeleid komen. Het doorgeslagen Nederlandse CO2-afhankelijke fiscale autobeleid overlapt met en hindert zelfs het Europees bronbeleid. Zodra autofabrikanten dankzij onze fiscale stimulering in Nederland onder een bepaald gemiddelde van CO2 uitstoot komen, kunnen zij het zich veroorloven om in andere Europese landen minder zuinige auto’s te verkopen: dit wordt ook wel het waterbedeffect genoemd.

Naast de ongewenste klimaatresultaten, zijn er ook de (nationale) budgettaire nadelen. De Staatskas blijkt de laatste jaren een slordige € 2 miljard per jaar aan belastinginkomsten mis te lopen door de opeenstapeling van alle fiscale stimuleringsmaatregelen voor zuinige auto’s. Tot slot is het fiscale wettenboek een flink stuk dikker geworden als gevolg van alle wijzigingen en uitzonderingen die met de stimuleringsmaatregelen samenhangen. Dit heeft weer als gevolg stijgende uitvoeringskosten van de Belastingdienst en dus weer stijgende lasten voor de belastingbetaler.

Het huidige kabinet heeft nu gelukkig zijn conclusies getrokken en in een wetsvoorstel aan het parlement voorgelegd om een belangrijk deel van de stimuleringsmaatregelen af te gaan bouwen de komende jaren. Een terechte stap, die eigenlijk al eerder gezet had moeten worden. Maar beter ten halve gekeerd, dan ten heele gedwaald.

Bron: Actuele artikelen

De fiscus gaat nauwer letten op de ‘superrijken’

Bent u ook benieuwd naar het leven van mensen die onvoorstelbaar veel geld hebben? Dan is het boek ‘De... Lees meer >

Bent u ook benieuwd naar het leven van mensen die onvoorstelbaar veel geld hebben? Dan is het boek ‘De gouden rugzak’, geschreven door Raimund Kamp, Ad Kil en Marijke Kuijpers een aanrader.

Het boek is geschreven naar aanleiding van een grootschalig kwalitatief onderzoek over vermogensoverdracht in Nederland. In diepte-interviews onthullen vermogende erfgenamen hoe zij hun leven ervaren. Het totaalbeeld dat het boek schetst, is dat er steeds meer vermogende families verdwijnen omdat het door de eerste generatie opgebouwde vermogen door de twee volgende generaties wordt verbrast.

Als u het boek en het onderwerp interessant vindt, dan bent u niet de enige. De leden van het onlangs in het leven geroepen Zeer Vermogende Particulieren (ZVP) team van de Belastingdienst lezen fanatiek mee. Dit team is opgericht naar aanleiding van (onder meer) het rapport “Engaging with high net worth individuals (HNWI) on tax compliance”, van de intergouvernementele organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). In dit rapport adviseert de OESO aan de lidstaten om de fiscale zaken van ZVP’ers serieuzer te nemen, onder andere door een apart fiscaal behandelteam voor deze doelgroep te creëren. De OESO vindt deze speciale behandeling gerechtvaardigd vanwege het grote aantal entiteiten dat ZVP’ers controleren, de mogelijkheden die zij hebben om aan agressieve tax planning te doen en hun impact op de integriteit van het hele belastingsysteem.

De vermogensgrens om tot deze groep te behoren, is € 25 miljoen. In Nederland hebben we het dan over zo’n 2.200 huishoudens, met in totaal minimaal € 55 miljard aan vermogen. Dit staat gelijk aan het totale vermogen van zo’n 3 miljoen gemiddelde huishoudens, bijna de helft van alle huishoudens in Nederland. Niet zo’n gek idee dus om dat ZVP team op te richten. Het is een stuk makkelijker om 2.200 huishoudens in de gaten te houden dan half Nederland (waar ook nog eens niets te halen valt).

De superrijken populatie heeft het niet makkelijk met al die erfgenamen die het familievermogen erdoorheen jagen. Een schrale troost als het familievermogen snel zakt: de aandacht van de fiscus doet dat dan ook.

Bron: Actuele artikelen

Tweede kamer vragen en antwoorden van de staatssecretaris inzake de DBA

De staatssecretaris van Financiën heeft, namens de minister van Economische Zaken, Tweede Kamervragen beantwoord over een mediabericht met de... Lees meer >

De staatssecretaris van Financiën heeft, namens de minister van Economische Zaken, Tweede Kamervragen beantwoord over een mediabericht met de titel ‘Zzp’er verwacht schade door nieuwe wetgeving’.

In zijn beantwoording gaat de staatssecretaris in op de wijze waarop hij contact houdt met belangenorganisaties en hoe hij de informatievoorziening heeft geregeld. In verband met het laatste heeft hij een bijlage bij de antwoorden op de Kamervragen gevoegd waarin de binnengekomen vragen over de Wet DBA zijn opgenomen.

De antwoorden hierop zullen vóór 31 mei 2016 op de website van de Belastingdienst worden geplaatst. Verder wijst de staatssecretaris nog naar het Ondernemersplein waar ook informatie is te vinden.

 

staatssecretaris-wiebes-van-financien-beantwoordt-kamervragen