Nieuws

Omzetbelasting over deskundigenkosten moet worden vergoed aan onteigende BTW-ondernemer

De BTW over de door een onteigende gemaakte deskundigenkosten komt voor vergoeding in aanmerking, ook wanneer de onteigende een... Lees meer >

De BTW over de door een onteigende gemaakte deskundigenkosten komt voor vergoeding in aanmerking, ook wanneer de onteigende een BTW-ondernemer is die belaste prestaties verricht.

Deze BTW komt, kort gezegd, niet voor aftrek door de onteigende in aanmerking omdat de diensten van de deskundigen volgens de Hoge Raad rechtstreeks en onmiddellijk samenhangen met de vrijgestelde levering van het onteigende.

Deze zaak betreft de bepaling van een onteigeningsschadeloosstelling. De onteigende exploiteerde op de peildatum een paardenpension op het onteigende en het overblijvende. De onteigenende Staat had aangevoerd dat de onteigende voor 35% van BTW vrijgestelde prestaties verricht en voor 65% prestaties die wel zijn belast met BTW. De Staat meende dat de onteigende daarom de door hem voldane BTW over de facturen van de door hem ingeschakelde deskundigen voor 35% in aftrek kon brengen. De BTW vormde naar de opvatting van de Staat daarom in zoverre geen voor vergoeding in aanmerking komende schade. De rechtbank Zeeland-West-Brabant ging daarin niet mee.

De Hoge Raad beslist dat de aan de onteigende partij in rekening gebrachte omzetbelasting voor vergoeding in aanmerking komt. De Hoge Raad – met in de zetel twee BTW-specialisten uit de belastingkamer – gaat in zijn arrest uitvoerig in op de materiële BTW-aspecten. Een ondernemer als bedoeld inart. 7 Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) kan de ter zake van juridische en andere deskundige bijstand aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek brengen of terugvragen, voor zover de met die bijstand verrichte diensten door hem worden gebruikt voor belaste handelingen (art. 2art. 15 lid 1 en art. 17 wet OB). Van gebruik voor belaste handelingen is in beginsel sprake wanneer de aanschaf van goederen of diensten rechtstreeks en onmiddellijk samenhangt met het verrichten van belaste handelingen. Wanneer goederen of diensten worden gebruikt voor vrijgestelde handelingen bestaat geen recht op aftrek. Aangeschafte goederen en diensten die niet toerekenbaar zijn aan belaste handelingen en ook niet aan vrijgestelde handelingen maar die rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met de algehele onderneming, vormen algemene kosten van de onderneming en komen voor aftrek in aanmerking, in de mate waarin de ondernemer belaste handelingen verricht (HvJEU 8 februari 2007, C-435/05, ECLI:EU:C:2007:87, en HvJEU 21 februari 2013, C-104/12, ECLI:EU:C:2013:99) .

De rechtsovergang van een goed tegen betaling van een vergoeding ingevolge een vordering door of namens de overheid, geldt op grond van art. 3 lid 1, onder d, Wet OB voor de heffing van omzetbelasting als een levering van een goed. Een ondernemer wordt in dat geval geacht een belastbare handeling te verrichten. Niet in geschil is dat de rechtsovergang van het onteigende als gevolg van de onteigeningsprocedure een van omzetbelasting vrijgestelde levering van een goed is. De omzetbelasting die de bijstandverleners aan de onteigende in rekening hebben gebracht, komt dus in het geheel niet op de voet van art. 15 lid 1 Wet OB voor aftrek in aanmerking, wanneer hun diensten moeten worden geacht rechtstreeks en onmiddellijk samen te hangen met deze levering.

Voor de toepassing van art. 15 Wet OB geldt dat juridische en andere deskundige bijstand die erop is gericht de omvang van een tegenprestatie voor een levering van een goed te bepalen, wordt geacht rechtstreeks en onmiddellijk samen te hangen met die levering. Dit is niet anders ingeval het juridische en andere deskundige bijstand betreft die erop is gericht de omvang vast te stellen van de in art. 3 lid 1, onder d, Wet OB bedoelde vergoeding die een ondernemer krijgt voor de levering van een goed dat van hem wordt gevorderd door of namens de overheid.

De rechtbank heeft beslist dat de verleende deskundige bijstand betrekking heeft op de onteigeningsprocedure die zal leiden tot een voor de omzetbelasting vrijgestelde levering. Daarin ligt volgens de Hoge Raad besloten dat de aan de onteigende verleende bijstand betrekking heeft op de van omzetbelasting vrijgestelde levering van de onroerende zaak en de daarvoor te ontvangen vergoeding. De Hoge Raad schaart zich gelet op het voorgaande achter dit oordeel.

Ondanks de enigszins op de feiten toegespitste motivering (aan het slot van het arrest) lijkt de Hoge Raad hiermee een principiële uitspraak te hebben gedaan die ook van toepassing is in andere onteigeningszaken. Wel heeft de Hoge Raad, mede gelet op de andersluidende conclusie van A-G Van Oven (zie par. 4), een enigszins verrassende wending gegeven aan deze kwestie.

De Hoge Raad komt met zijn arrest bovendien impliciet terug op zijn arrest van 27 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG8814 (Den Haag/Soekhoe), waarin hij overwoog:

“3.4.1 Onderdeel IV keert zich tegen de beslissing van de rechtbank omtrent de kosten van rechtsbijstand en deskundigenbijstand in rov. 32 en het dictum. Onderdeel IVA klaagt over de toewijzing door de rechtbank van de terzake gemaakte kosten ‘in het voorkomende geval te vermeerderen met de daarover verschuldigde omzetbelasting’. Deze klacht is gegrond. Waar de rechtbank eerder (in rov. 31) als standpunt van de Gemeente vermeldde dat de gevorderde kosten ter zake van omzetbelasting niet voor vergoeding in aanmerking komen nu het een onderneming betreft, en de rechtbank voorts zonder melding te maken van enige betwisting van dit standpunt door Soekhoe overwoog (in rov. 32) dat zij, nu de kosten betrekking hebben op de door Soekhoe gedreven onderneming, aannemelijk achtte dat de meegevorderde omzetbelasting voor fiscale verrekening in aanmerking komt, behoefde nadere motivering waarom de rechtbank niettemin de bedoelde bedragen ‘in voorkomend geval te vermeerderen met de daarover verschuldigde omzetbelasting’ heeft toegewezen.”

Ook de omstandigheid dat de deskundigenkosten mede betrekking hebben op de door de onteigende te verkrijgen vergoeding die wordt toegekend voor de voortzetting van de bedrijfsactiviteiten, zoals de onteigenaar in de onderhavige zaak had aangevoerd, heeft de Hoge Raad kennelijk niet op andere gedachten gebracht.

Dit arrest is vanwege de daarin opgenomen interpretatie van de Wet OB niet alleen relevant voor de onteigeningspraktijk, maar ook voor eenieder die zich bezighoudt met (omzet)belastingheffing. Aangenomen mag worden dat de Belastingdienst met dit arrest in de hand voortaan het standpunt zal innemen dat onteigenden die BTW-ondernemer zijn de BTW over de door hen gemaakte deskundigenkosten niet in aftrek mogen brengen. Een procedure over deze vraag bij de belastingrechter lijkt de onteigende zich vanwege de duidelijke bewoordingen van de Hoge Raad (en de hiervoor al vermelde samenstelling van de zetel) te kunnen besparen. Het is tot nu toe overigens geen gangbare praktijk dat de Belastingdienst de aftrek van de over de deskundigenkosten betaalde BTW weigert (zie de bijdrage van Bas ten Kate op onteigeningsblog over dit arrest).

De Staat is in cassatie bijgestaan door Martijn Scheltema en de auteur en in feitelijke instantie door Alrik Bijkerk en Bas ten Kate.

Bron: Cassatieblog

Strenge belastingregels verslechteren vestigingsklimaat Nederland

De nieuwe belastingvoorstellen van de Europese Commissie gaan hoe dan ook slecht uitpakken voor Nederland als vestigingsland, stellen critici... Lees meer >

De nieuwe belastingvoorstellen van de Europese Commissie gaan hoe dan ook slecht uitpakken voor Nederland als vestigingsland, stellen critici. Ook bedrijven die niet aan belastingplanning doen zullen erdoor worden afgeschrikt.

Daarnaast zullen de plannen, die nog niet gepresenteerd zijn, de concurrentiepositie van de Europese Unie verslechteren.

De plannen van de Commissie geven invulling aan de 15 actiepunten die Oeso, de organisatie van ontwikkelde economieën, vorig jaar heeft opgesteld om belastingontwijking door multinationals tegen te gaan. Het fiscale vestigingsklimaat van Nederland heeft het het zwaarst met de voorgestelde beperking van de deelnemersvrijstelling, die inhoudt dat moedermaatschappijen in Nederland geen belasting hoeven te betalen over winst waarvoor buitenlandse dochterbedrijven in het vestigingsland al zijn aangeslagen. De Commissie wil de vrijstelling afschaffen voor landen met een lage winst- of vennootschapsbelasting.

 

Bron: ProfNews

Let nog steeds op volstorting kapitaal bij oprichten BV

Met de introductie van de ‘flex-BV’ in 2012 werd het verplichte minimumkapitaal ... Lees meer >

Met de introductie van de ‘flex-BV’ in 2012 werd het verplichte minimumkapitaal van 18.000 euro afgeschaft. Desalniettemin wordt een bepaald minimumkapitaal nog steeds gehanteerd. Dit brengt verplichtingen met zich mee, en dus ook interessante rechtspraak.

Bron: Recht.nl

Bibliotheek biedt hulp bij belastingaangifte

Openbare bibliotheken gaan digibeten en mensen zonder computer helpen bij de belastingaangifte of andere zaken met de fiscus... Lees meer >

Openbare bibliotheken gaan digibeten en mensen zonder computer helpen bij de belastingaangifte of andere zaken met de fiscus. Staatssecretaris van Financiën Eric Wiebes tekende hiervoor donderdag een overeenkomst met de bibliotheken in de openbare bibliotheek van Den Haag.

Belangstellenden kunnen zich bij bibliotheken aanmelden voor de cursus ‘werken met de e-overheid’. Hier leren ze de basisvaardigheden zoals inloggen met hun persoonlijke digitale code DigiD. Daarna kunnen ze gebruik maken van de computers van de bibliotheek om de aangifte daadwerkelijk te doen. Er loopt altijd een bibliotheekmedewerker rond die even bij kan springen.

De Belastingdienst heeft 1,9 miljoen euro uitgetrokken om mensen op deze manier te helpen met de digitale aangifte. Het is een tegemoetkoming voor het verdwijnen van de blauwe envelop.

Bron: Elsevier

Pensioen in eigen beheer

De toekomst van het pensioen dat de directeur groot aandeelhouder in zijn eigen BV in eigen beheer opbouwt, blijft... Lees meer >

De toekomst van het pensioen dat de directeur groot aandeelhouder in zijn eigen BV in eigen beheer opbouwt, blijft onzeker. Eerder in deze briefhadden we het al over het Oudedagsparen in eigen beheer, de mogelijke opvolger van pensioen in eigen beheer.

Onlangs heeft de Staatssecretaris in een nieuwe brief over pensioen in eigen beheer twee uiteindelijke oplossingsrichtingen voorgelegd.

  1. het uitfaseren van pensioen in eigen beheer via een afkoopregeling
  2. het blijven faciliteren van een vorm van opbouw van pensioen in eigen beheer via het zogenoemde oudedagssparen in eigen beheer (OSEB).

Deze recente brief van de Staatssecretaris geeft wat meer duidelijkheid maar brengt nog steeds geen zekerheid. Aangegeven is dat voor het Krokusreces de beslissing zal zijn genomen.
De oplossing voor het pensioen in eigen beheer wordt gezocht in óf de afschaffing er van zonder dat er een opvolger voor een soort van ouderdagsvoorziening volgt dan wel het eerder besproken alternatief van oudedagssparen in eigen beheer.

De voorkeur van de Staatssecretaris is de afschaffing van pensioenopbouw in eigen beheer. Daartoe zou hij een afkoopregeling willen introduceren waarbij 80% van de fiscale waarde in de belastingheffing wordt betrokken en dus 20% vrijgesteld kan worden ontvangen.

Het is echter de vraag of de ondernemers tot afkoop over kunnen of willen gaan omdat over de afkoop, ondanks de vrijstelling van 20% van de voorziening, toch nog in veel gevallen een behoorlijk bedrag aan belasting verschuldigd is en dus de ondernemer direct veel liquiditeiten kost.

Wordt vervolgt: het streven is de nieuwe wetgeving omtrent pensioen in eigen beheer, wat het ook wordt, per 1 januari 2017 in werking te laten treden.

Bron: Actuele artikelen

Tweede Kamer stemt in met Autobrief 2.0

De Tweede Kamer is akkoord gegaan met het wetsvoorstel Wet uitwerking autobrief 2.0. In dit wetsvoorstel staan plannen om... Lees meer >

De Tweede Kamer is akkoord gegaan met het wetsvoorstel Wet uitwerking autobrief 2.0. In dit wetsvoorstel staan plannen om de autobelastingen voor de periode 2017 – 2020 aan te passen. Het voorstel zorgt onder andere voor een vereenvoudiging van de bijtellingstarieven in de loon- en inkomstenbelasting voor het privégebruik van de auto van de zaak.

De Tweede Kamer heeft op 12 april ingestemd met de voorstellen in de Autobrief 2.0  van Staatsecretaris Wiebes. De komende jaren gaan de autobelastingen op de schop. Hierdoor zullen de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM), de motorrijtuigenbelasting (MRB) en de bijtelling voor de auto van de zaak wijzigen. Per 2019 zijn er nog maar twee bijtellingscategorieën: 4% en 22%. Voor plugin hybridevoertuigen gaan stapsgewijs de regels van reguliere auto’s gelden. Nulemissie-auto’s blijven profiteren van de huidige voordelen.

Opkoopregeling voor oude dieselauto’s

Bij dit wetsvoorstel zijn ook enkele moties aangenomen. De aanschaf van tweedehands plugin hybridevoertuigen moet voorlopig aantrekkelijk blijven. Voor deze voertuigen blijft in 2019 en 2020 het huidige reguliere tarief in de MRB van toepassing. Voor oude zeer vervuilende dieselauto’s zonder roetfilter gaat vanaf 2019 een toeslag gelden in de MRB. De regering moet een opkoopregeling voor deze auto’s uitwerken. De reden is dat veel eigenaren van oude dieselauto’s niet genoeg financiële middelen hebben om hun auto te vervangen. Nu moet de Eerste Kamer nog haar mening over dit wetsvoorstel  geven.

 

Bron: Rijksoverheid en

Nettoloon in RC is beschikbaar voor dga

Als een bv het nettoloon van haar directeur-grootaandeelhouder (dga) op de rekening-courant (RC) boekt, veronderstelt de fiscus dat dit... Lees meer >

Als een bv het nettoloon van haar directeur-grootaandeelhouder (dga) op de rekening-courant (RC) boekt, veronderstelt de fiscus dat dit loon direct beschikbaar is voor de dga. De dga kan later niet stellen dat het loon niet aan hem is uitbetaald. Dit blijkt uit een uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Het draaide in die zaak om een dga die sinds 2010 op de loonlijst van zijn bv stond. In dit jaar bedroeg zijn loon € 47.558, waarover de bv keurig € 17.227 aan loonheffingen had ingehouden en afgedragen. Het nettoloon werd door de bv op de rekening-courant  van de dga geboekt. Bij de aangifte inkomstenbelasting van de dga ontstond een geschil met de fiscus. De dga stelde dat het nettoloon over 2010 niet mee kon tellen aangezien dit niet was uitbetaald. Hij stelde dat zijn bv niet voldoende liquide middelen had om het bedrag uit te keren. Hij wilde de vordering op de bv zelfs afwaarderen en in mindering brengen op zijn inkomen.

Verminderde liquiditeit geen reden tot afwaardering

De inspecteur was het hier niet mee eens, waarop de dga naar de rechter stapte. Daar draaide het om de vraag of de dga het loon daadwerkelijk had genoten. Het gerechtshof oordeelde dat dit het geval was. Door het boeken in de rekening-courant werd het loon omgezet in een vordering waarmee de dga volgens de wet beschikkingsmacht kreeg over het nettoloon. Het loon was, ook al was het niet in privé overgemaakt naar de dga, dus wel volgens de wet door de dga genoten. Ook de afwaardering ging niet door: de bv had het financieel weliswaar niet ruim, maar koos ervoor om andere schuldeisers wel te betalen en de dga niet. De dga ging na de uitspraak nog in cassatie, maar dat mocht uiteindelijk niet baten.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 april 2015, ECLI (verkort) 2735

Plan voor wijziging regels transitievergoeding

Het kabinet wil de regels voor de transitievergoeding bij ontslag om langdurige ziekte of ontslag om bedrijfseconomische redenen wijzigen.... Lees meer >

Het kabinet wil de regels voor de transitievergoeding bij ontslag om langdurige ziekte of ontslag om bedrijfseconomische redenen wijzigen. Dit meldt minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een brief aan de Tweede Kamer.

De Kamerbrief gaat in op het pakket aan maatregelen waarmee het kabinet knelpunten op de arbeidsmarkt wil oplossen. Minister Asscher geeft aan twee wijzigingen te willen doorvoeren in de regels voor de transitievergoeding, omdat is gebleken dat werkgevers door de Wet werk en zekerheid soms met onredelijke financiële plichten te maken hebben.

Cao-voorziening niet verplicht gelijk aan transitievergoeding

De eerste wijziging gaat over de regel dat de werknemer geen recht heeft op de transitievergoeding als in de cao voor een gelijkwaardige voorziening is gezorgd. Kortweg blijkt in de praktijk dat door collectieve cao-voorzieningen voor ontslag om bedrijfseconomische redenen het ondoenlijk kan zijn om in de cao een individuele gelijkwaardige voorziening te regelen.
De wijziging zorgt er daarom voor dat het recht op de transitievergoeding ook verdwijnt als een individuele voorziening voor ontslag om bedrijfseconomische redenen niet gelijkwaardig is. Cao-partijen mogen dan zelf bepalen wat de omvang van de voorziening is, zolang deze maar gericht is op het vinden van nieuw werk. Ook kunnen zij besluiten de kosten van de voorzieningen niet meer bij individuele werkgevers (uit het mkb) te leggen. De wijziging moet per 1 januari 2018 ingaan.

Compensatie voor transitievergoeding bij langdurige ziekte

De tweede wijziging heeft betrekking op de transitievergoeding bij ontslag vanwege langdurige ziekte. Omdat werkgevers in zo’n geval al met hoge kosten te maken hebben, vindt het kabinet het rechtvaardig als deze werkgevers een compensatie krijgen voor de transitievergoeding die ze bij zo’n ontslag moeten betalen. Die compensatie wordt betaald vanuit het Algemeen werkloosheidsfonds. Hier staat wel een premieverhoging tegenover. De maatregel moet een einde maken aan slapende dienstverbanden. Hoewel ook voor deze wijziging 1 januari 2018 als beoogde ingangsdatum geldt, gaat die mogelijk met terugwerkende kracht in.

Tussenperiode keten verkort naar drie maanden

Vanaf 1 juli 2016 kan in de cao de minimale tussenperiode die de ketenbepaling doorbreekt, worden teruggebracht van zes... Lees meer >

Vanaf 1 juli 2016 kan in de cao de minimale tussenperiode die de ketenbepaling doorbreekt, worden teruggebracht van zes naar drie maanden. Voorwaarde is wel dat de werkzaamheden als gevolg van de weersomstandigheden seizoensgebonden zijn.

De verkorting van de tussenperiode in de ketenbepaling is onderdeel van de maatregelen die minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid presenteerde om de knelpunten op de arbeidsmarkt op te lossen. Op dit moment moet er een tussenperiode van minimaal zes maanden tussen twee contracten zitten om de ketenbepaling te doorbreken. Van deze regel kan in principe niet worden afgeweken in de cao. Dit kan alleen via een ministeriële regeling voor specifieke functies bepaald worden, zoals onlangs gebeurde in de land- en tuinbouwsector.

Tussenperiode kan in de cao verkort worden

Het kabinet vindt het belangrijk dat cao-partijen zelf kunnen beslissen over het verkorten van de tussenperiode. Als de Eerste en Tweede Kamer akkoord gaan, kunnen de cao-partijen daarom vanaf 1 juli 2016 zelf bepalen voor welke functies een verkorting van de tussenperiode noodzakelijk is. Het moet dan wel gaan om functies die seizoensgebonden zijn en hoogstens negen maanden per jaar kunnen worden verricht.

Straks volwaardig minimumloon vanaf 21 jaar

Het volledige wettelijk minimumloon geldt straks voor iedere werknemer van 21 jaar en ouder. Nu is dat nog 23... Lees meer >

Het volledige wettelijk minimumloon geldt straks voor iedere werknemer van 21 jaar en ouder. Nu is dat nog 23 jaar en ouder. Daarnaast gaat het minimumloon voor werknemers tot 21 jaar omhoog. Dat heeft minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid laten weten.

Het wettelijk minimumloon  geldt op dit moment alleen volledig voor werknemers van 23 jaar en ouder. Voor jongere werknemers geldt een vast percentage van dit minimumloon: het minimumjeugdloon. Daar komt echter verandering in, want minister Asscher wijzigt de beginleeftijd voor een volledig minimumloon stapsgewijs naar 21 jaar. Ook verhoogt hij het minimumjeugdloon voor werknemers van 18, 19 en 20 jaar oud stapsgewijs. De wijzigingen worden opgenomen in een wetsvoorstel dat de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) wijzigt. De ingangsdatum is dus nog onbekend.

Verlaging mag niet negatief zijn voor werkgelegenheid

In eerste instantie verlaagt Asscher de leeftijd van het minimumloon naar 22 jaar. Als deze verlaging geen aanzienlijke negatieve effecten heeft op de werkgelegenheid voor jongeren, wordt de beginleeftijd daarna automatisch verder verlaagd naar 21 jaar. Tegelijkertijd gaat het minimumjeugdloon omhoog. Hoeveel hoger het wordt, ziet u in onderstaande tabel.

2016-04-21 - Voorstel verhoging minimum(jeugd)loon.PNG

Uitzondering voor leerwerkplekken

Er komt een uitzondering op deze aanpassingen van het minimumloon voor leerwerkplekken in de beroepsbegeleidende leerweg van het mbo. Dit moet voorkomen dat de loonkosten voor werkgevers die deze leerwerkplekken aanbieden te zeer stijgen. Voor alle werkgevers geldt dat zij per 2017 ook voor 21- en 22-jarige werknemers in aanmerking komen voor het lage-inkomensvoordeel. Deze werknemers gaan immers 100% van het wettelijk minimumloon verdienen. Zo blijft de stijging van de loonkosten beperkt.

Tabellen en Handboek Loonheffingen per 1 april

De nieuwe tabellen die per 1 april 2016 gelden voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen, zijn op de site van de... Lees meer >

De nieuwe tabellen die per 1 april 2016 gelden voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen, zijn op de site van de Belastingdienst gepubliceerd. Ook is er een nieuwe versie van het Handboek Loonheffingen 2016.

Per 1 april 2016 gelden er nieuwe tabellen voor de berekening van de loonbelasting/premie volksverzekeringen die de werkgever op het loon van werknemers moet inhouden via de loonaangifte. De Belastingdienst heeft om die reden op zijn website nieuwe loonbelastingtabellen, herleidingsregels en rekenvoorschriften gepubliceerd. Werkgevers moeten de nieuwe tabellen gebruiken voor betalingen vanaf 1 april 2016. Het effect voor werknemers is dat hun nettoloon met maximaal € 10 per maand daalt.

Tabellen tweemaal in Handboek Loonheffingen 2016

Ook van het Handboek Loonheffingen 2016 heeft de Belastingdienst op 1 april een nieuwe versie gepubliceerd. Het gewijzigde schijventarief en de gewijzigde eindheffingstabellen per 1 april 2016 vormen daarin de belangrijkste aanpassing. Alle tarieven, bedragen en percentages staan nu twee keer in het Handboek:

  • per 1 januari 2016 – voor loonbetalingen tot en met 31 maart 2016;
  • per 1 april 2016 – voor loonbetalingen vanaf 1 april 2016.

7+8+8-regel voor werkgevers

Steeds vaker kiezen werkgevers bij het aanbieden van een tijdelijk contract voor de zogenaamde 7+8+8-regel... Lees meer >

Neemt u een nieuwe medewerker in dienst, dan biedt u hem of haar in de meeste gevallen een tijdelijk contract aan. Dankzij de Wet werk en zekerheid (Wwz) per 1 januari 2015 hanteren veel werkgevers bij tijdelijke contracten de zogenaamde 7+8+8-regel. U leest hier wat de voordelen zijn van deze regel!

Steeds vaker kiezen werkgevers bij het aanbieden van een tijdelijk contract voor de zogenaamde 7+8+8-regel. Maar wat houdt dit precies in? Treedt een medewerker in dienst, dan krijgt hij of zij allereerst een contract van zeven maanden aangeboden. Verloopt de samenwerking goed, dan krijgt de werknemer een contractsverlenging van twee keer acht maanden. Dit wordt ook wel de 7+8+8-regel genoemd. Na de invoering van de Wet werk en zekerheid per 1 januari 2015 kiezen werkgevers steeds vaker voor deze constructie. Waarom? Arbeidsrechtadvocaat Pierre van Geffen vertelt aan de website Personeelsnet.nl wat voor werkgevers de drie grote voordelen zijn van de 7+8+8-regel.

Voordeel 1: Proeftijd in eerste contract opnemen

Een van de regels uit de Wet werk en zekerheid bepaalt dat werkgevers per 1 januari 2015 geen proeftijdbedingen meer mogen opnemen in tijdelijke contracten van zes maanden of korter. Doordat de duur van het eerste contract zeven maanden is, omzeilt u die regel en kunt u een maand proeftijd in het contract opnemen. Merkt u in de eerste maand dat de samenwerking geen kans van slagen heeft, dan kunt u de arbeidsovereenkomst per direct en zonder ontslagvergunning beëindigen.

Voordeel 2: Vast contract uitstellen

Wanneer de werknemer die drie contracten van zeven, acht en acht maanden heeft doorlopen, dan zijn er 23 maanden verstreken. Op basis van de regels in de Wet werk en zekerheid bent u verplicht om de werknemer na 24 maanden een vast contract aan te bieden. Dankzij de 7+8+8-regel wordt u dus niet verplicht om een werknemer een vast contract aan te bieden en kunt u het moment dat een medewerker bij u in vaste dienst treedt, zo ver mogelijk opschorten.

Voordeel 3: Transitievergoeding omzeilen

De Wet werk en zekerheid bepaalt dat u de werknemer een transitievergoeding moet betalen wanneer u de samenwerking na twee jaar of langer beëindigd. Doordat u de 7+8+8-regel hanteert, komt u uit op een arbeidsduur van 23 maanden. U kunt op deze manier de werknemer zo lang mogelijk in dienst houden, zonder de werknemer na afloop van de samenwerking een transitievergoeding te moeten betalen.

Huiseigenaar betaalt weer te veel voor OZB

Huiseigenaren betalen dit jaar gemiddeld 2,45 procent meer aan onroerende zaakbelasting (ozb) dan vorig jaar. Volgens Vereniging Eigen Huis... Lees meer >

Huiseigenaren betalen dit jaar gemiddeld 2,45 procent meer aan onroerende zaakbelasting (ozb) dan vorig jaar. Volgens Vereniging Eigen Huis (VEH) is dat flink meer dan de verhoging van 1,57 procent die gemeenten met het Rijk hebben afgesproken. Ook is het veel meer dan de verwachte inflatie van 0,9 procent dit jaar, aldus VEH dinsdag.

Eigen Huis stelt dat gemeenten al vijf jaar achtereen de afspraken over de maximale ozb-verhoging collectief overschrijden. Dit zouden zij ongestraft kunnen doen omdat overschrijdingen voor individuele gemeenten geen nadelige consequenties hebben.

De belangenclub vraagt het kabinet daarom ,,dwingende maatregelen” te nemen die huiseigenaren beschermen tegen te sterke stijgingen van de ozb.

Vereniging Eigen Huis onderzocht in alle gemeenten de ontwikkeling van de gemeentelijke woonlasten die bestaan uit ozb, rioolheffing en afvalstoffenheffing.

Top drie gemeenten

De ozb stijgt dit jaar het hardst in de Limburgse gemeente Meerssen. Huiseigenaren betalen hier gemiddeld 421 euro. Dat is 115 euro (37 procent) meer dan vorig jaar.

Ook in de Gelderse gemeente Duiven gaat de ozb met bijna 28 procent flink omhoog en betaalt een huiseigenaar gemiddeld 319 euro. Dit is bijna 70 euro meer dan in 2015. Nummer drie op de lijst is Kampen met een stijging van bijna 17 procent. Gemiddeld betaalt een huiseigenaar hier 262 euro aan ozb, een stijging van 37 euro. Maar omdat in Duiven de afvalstoffenheffing en in Kampen de rioolheffing fors is verlaagd, blijft de uiteindelijke woonlastenstijging in deze ozb-toppers beperkt tot enkele euro’s.

Landelijk stijgen de totale woonlasten (ozb, riool- en afvalstoffenheffing) voor huiseigenaren van 734 naar 745 euro, een toename van 1,46 procent.

Bron: Elsevier

Belastingdienst mag (vooralsnog) geen inkomensinformatie verstrekken aan verhuurders

De huidige huurwetgeving geeft verhuurders van sociale huurwoningen de mogelijkheid de huurprijzen te verhogen op de grond dat het... Lees meer >

De huidige huurwetgeving geeft verhuurders van sociale huurwoningen de mogelijkheid de huurprijzen te verhogen op de grond dat het inkomen van huurders boven een bepaald niveau ligt.

Het doel hiervan is deze huurders te stimuleren deze huisvesting te verruilen voor een andere huisvesting die meer bij hun inkomensniveau past. Aldus komen deze sociale huurwoningen beschikbaar voor de woningzoekenden met lagere inkomens. Een dergelijk huurprijswijzigingsvoorstel moet vergezeld gaan van een verklaring van de inspecteur van de Belastingdienst (op te vragen door de verhuurder) waarin informatie wordt gegeven over het inkomen van die huurder (zie art. 7:252a lid 3 Burgerlijk Wetboek). Over de al dan niet plicht van de inspecteur om een dergelijke verklaring te verstrekken ging de zaak waarover de Raad van State op 3 februari 2016 een uitspraak deed.

De huurder in kwestie had op grond van de Wet Bescherming Persoonsgegevens verzet aangetekend bij de Belastingdienst tegen de verstrekking van zijn inkomensgegevens door de Belastingdienst aan zijn verhuurder. De Raad van State overweegt, net als de rechtbank dat deed op 22 juli 2015, dat de huurwetgeving geen verplichting inhoudt voor de Belastingdienst om een dergelijke inkomensverklaring te verstrekken. De Raad van State bepaalt dan ook dat de Belastingdienst geen gegevens betreffende het inkomen van de huurder mag verstrekken aan de verhuurder, zolang de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (artikel 67) daarvoor geen grondslag biedt.

In het – in de vorige snelrechtbijdrage al genoemde – wetsvoorstel ‘Wet doorstroming huurmarkt 2015’ (EK 34 373) is een voorziening getroffen om deze wettelijke verplichting in de wetgeving te verankeren. Het ‘wetsvoorstel gegevensverstrekking’ (EK 34 374) bevat ook een dergelijke reparatiebepaling en is ingediend (op 21 december jl.) om versneld deze wettelijke verplichting bij wet vastgelegd te krijgen (voor zover de wet doorstroming huurmarkt 2015 niet zo snel wordt behandeld), zodat de Belastingdienst nog voor de eerstkomende huurprijswijzigingsronde (die gebruikelijk per 1 juli plaatsvindt) deze verklaringen mag verstrekken.

De minister heeft bij de inwerkingtredingsbepaling van deze twee wetsvoorstellen bepaald dat bij de inwerkingtreding van de hier bedoelde reparatiebepalingen gebruik mag worden gemaakt van artikel 12 van de Wet raadgevend referendum. (Zodat versneld deze wet(sartikelen) in werking kunnen treden.)

Het wetsvoorstel doorstroming huurmarkt 2015 ligt inmiddels in een enigszins gewijzigde variant in de Eerste Kamer. Enkele wijzigingen: de proefperiode voor zelfstandige woonruimtes wordt twee jaar in plaats van één jaar en toegelaten instellingen ex art. 19 Woningwet (woningcorporaties) mogen (naar het zich nu laat aanzien) enkel beperkt van deze proefperiodemogelijkheid gebruik maken (niet korter dan één jaar). Verder geldt bij de proefperiode huurovereenkomst dat de verhuurder voor het einde van de huurovereenkomst de plicht heeft te melden dat deze huurovereenkomst eindigt bij gebreke waarvan de huurovereenkomst niet van rechtswege eindigt.

Bron: Mr-online

Belastingdienst verliest zaak om naheffing opleidingsuitgaven

De Belastingdienst heeft een kostbare nederlaag geleden bij de Hoge Raad... Lees meer >

De Belastingdienst heeft een kostbare nederlaag geleden bij de Hoge Raad. De (per 1 januari 2014 vervallen) afdrachtvermindering onderwijs is ook van toepassing als een werknemer slechts een deel van een erkende beroepsopleiding heeft gevolgd en hiervoor een deelcertificaat heeft gekregen.

Belastingdienst verliest zaak om naheffing opleidingsuitgaven (Accountant.nl)

Ook afdrachtvermindering onderwijs voor deelcertificaat (Taxence.nl)

ECLI:NL:HR:2016:38 (Rechtspraak.nl)

Bron: Recht.nl

PS let ook op

Indien u aanmerking maakt op de afdrachtvermindering geef dit dan op tijd door aan ons

U kunt een subsidieaanvraag indienen voor studiejaar 2015-2016 vanaf 2 juni 2016 tot en met 15 september 2016 (17.00 uur).

Bron Subsidieregeling praktijkleren

Alternatief voor de VAR? U hebt tot 1 mei 2017 de tijd

1 mei 2016 verdwijnt de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR). Dat kan betekenen dat u uw werkwijze moet aanpassen. ... Lees meer >

1 mei 2016 verdwijnt de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR). Dat kan betekenen dat u uw werkwijze moet aanpassen. U hoeft dat echter op 1 mei 2016 nog niet direct gedaan te hebben. Opdrachtgevers en opdrachtnemers hebben tot 1 mei 2017 de tijd.

In de periode tot 1 mei 2017 geldt wel een inspanningsverplichting. Opdrachtgevers en opdrachtnemers moeten actief bezig zijn de arbeidsrelatie zodanig vorm te geven dat er ‘buiten dienstbetrekking’ gewerkt wordt.

Tussen 1 mei 2016 en 1 mei 2017 houden wij toezicht, maar vooral in de vorm van voorlichting over de nieuwe werkwijze. En we bieden u de helpende hand bij de implementatie.

Meer weten? De belangrijkste vragen en antwoorden hebben we voor u op een rij gezet

Bron: Belastingdienst

Mogelijkheden tariefarbitrage via de werkkostenregeling zijn ingeperkt

Als werkgever of directeur-grootaandeelhouder (dga) bent u vast al in aanraking gekomen met de in 2015 verplicht geworden werkkostenregeling.... Lees meer >

Als werkgever of directeur-grootaandeelhouder (dga) bent u vast al in aanraking gekomen met de in 2015 verplicht geworden werkkostenregeling. De term omvat de fiscale regelgeving van vergoedingen en verstrekkingen aan werknemers. Daarbij is, in tegenstelling tot regulier loon, niet de werknemer belasting verschuldigd over het ontvangen voordeel, maar de werkgever.

De werkkostenregeling geldt ook voor dga’s in dienst bij ‘hun’ BV. Dga’s kunnen via de werkkostenregeling een belastingbesparing realiseren door werknemersloon (regulier loon) om te zetten naar werkgeversloon (zogeheten eindheffingsloon). Dit laat zich toelichten met een simpel voorbeeld. Wil de BV € 100 netto aan de dga uitkeren in de hoogste loonbelasting schijf, dan moet de BV € 208 bruto loon uitkeren. Via de werkkostenregeling is de BV in dit voorbeeld geen € 208, maar € 180 in totaal kwijt om hetzelfde netto bedrag aan de dga uit te keren. Een belastingvoordeel van € 28 dus. Binnen de zogeheten vrije ruimte van de werkkostenregeling (1,2% van de loonsom van de werkgever, voor zover niet besteed aan andere vergoedingen en verstrekkingen), is er zelfs helemaal geen belasting verschuldigd over de netto uitkering.

Via de werkkostenregeling is er dus tariefarbitrage mogelijk, dit uiteraard tot ongenoegen van de fiscus. Het belangrijkste wapen tegen deze tariefarbitrage, is het gebruikelijkheidscriterium.  Op grond van dit criterium mocht tot 1 januari 2016 de omvang van de als eindheffingsbestanddeel aangewezen vergoedingen en verstrekkingen niet meer dan 30% afwijken van ‘hetgeen in voor het overige overeenkomstige omstandigheden gebruikelijk is’.

Het gebruikelijkheidscriterium is met ingang van 1 januari 2016 aangescherpt. Niet de omvang van de vergoeding of verstrekking als zodanig, maar überhaupt het aanwijzen van een vergoeding of verstrekking als eindheffingsloon wordt getoetst. Bij de toets of is voldaan aan het gebruikelijkheidscriterium, spelen onder meer de aard van de vergoeding of verstrekking, de omvang of waarde van de vergoeding of verstrekking en de wijze waarop de vergoeding of verstrekking vóór de werkkostenregeling in de organisatie werd behandeld, een rol.

Het is goed om te weten dat er een ‘safe haven’ is van € 2.400 euro per werknemer. De belastingdienst heeft toegezegd dit bedrag zonder nadere vragen aan te merken als gebruikelijk. Als u het dus niet te gek maakt, dan kunt u dus alsnog een beetje profiteren van die aantrekkelijke tariefarbitrage.

Bron: Actuele artikelen

Belastingdienst stuurt 560.000 zzp’ers brief over verdwijnen VAR

De Belastingdienst stuurt tussen 31 maart en 8 april aan ruim 560.000 zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) een brief over... Lees meer >

De Belastingdienst stuurt tussen 31 maart en 8 april aan ruim 560.000 zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) een brief over de gevolgen van de afschaffing van de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) per 1 mei 2016. Het betreft de brief die staatssecretaris Wiebes eerder aankondigde.

De brief wordt verstuurd aan mensen die volgens de gegevens van de Belastingdienst beschikken over een VAR.

Modelovereenkomsten
De Belastingdienst adviseert in de brief zzp’ers om gebruik te maken van modelovereenkomsten. Deze zijn te downloaden op de site van de Belastingdienst. Als een zzp’er werkt volgens zo’n overeenkomst is er geen sprake van loondienst en hoeft de opdrachtgever geen loonheffingen in te houden.

Met de brief wil de Belastingdienst duidelijk maken hoe de nieuwe werkwijze is, wat wel en niet verandert en wat de overgangsperiode tot 1 mei 2017 inhoudt.

Webinar
De brief geeft verder informatie over het webinar dat de Belastingdienst op 12 april ’s avonds organiseert voor zzp’ers.

Op dezelfde dag organiseert de Belastingdienst ’s ochtends een webinar voor opdrachtgevers en andere belanghebbenden. De uitnodiging hiervoor wordt vandaag gemaild naar 72.000 mailadressen. Beide webinars kunnen achteraf worden bekeken.

Meer informatie
Bij de brief zit een bijlage met de belangrijkste vragen en antwoorden. Lees hier de brief en de bijlage.
Op belastingdienst.nl/dba vindt u informatie over de modelovereenkomsten en meer veelgestelde vragen.