Nieuws

Geen btw-jaaraangiften voor zonnepaneeleigenaar-ondernemers

Staatssecretaris Eric Wiebes van Financiën heeft geantwoord op vragen van het Tweede Kamerlid Merkies (SP) over het bericht dat... Lees meer >

Staatssecretaris Eric Wiebes van Financiën heeft geantwoord op vragen van het Tweede Kamerlid Merkies (SP) over het bericht dat meer dan 3.000 eigenaren van zonnepanelen een forse naheffingsaanslag omzetbelasting hebben gekregen. Als deze ondernemers alsnog aangifte doen, blijven de boeten in stand, aldus Wiebes. Ook wenst hij voor deze groep startende ondernemers geen uitzondering te maken door jaaraangiften toe te staan.

Wiebes stelt dat al deze eigenaren er voor geopteerd hebben om als ondernemer te worden aangemerkt. Zij hebben een aanslag gekregen van in totaal € 5161, bestaande uit een automatisch gegenereerde schatting van € 5000 belasting voor startende ondernemers, plus een verzuimboete van € 100 plus een aangifteverzuimboete van € 61.

Hij merkt daarbij op dat het overgrote deel van de zonnepaneeleigenaar-ondernemers wel tijdig aan de aangifteverplichtingen heeft voldaan waaruit hij concludeert dat de eigenaren van zonnepanelen over het algemeen wel bekend zijn met de eisen van het btw-ondernemerschap.

De staatssecretaris zegt verder dat de hoogte van de verschuldigde btw afhangt van het opwekkingsvermogen van de zonnepanelen, de elektriciteit die geleverd wordt aan de energieleverancier en het privégebruik. In de meeste gevallen zal de verschuldigde btw niet boven de € 25 per kwartaal liggen. Als de ondernemer alsnog aangifte doet, blijven de boeten in stand. Wel wordt de boete wegens het niet tijdig betalen verminderd ingeval de verschuldigde belasting lager is dan het bedrag van de naheffingsaanslag. Deze boete is echter minimaal € 50. Wiebes ziet geen aanleiding om voor een bepaalde groep startende ondernemers, zoals de zonnepaneeleigenaar-ondernemers, een uitzondering te maken door jaaraangiften toe te staan.

Bron: Accountancy Nieuws

Negatieve nalatenschappen

Sinds de crisis van 2008 komt het steeds vaker voor dat erfenissen niet meer zonder meer worden geaccepteerd. De... Lees meer >

Sinds de crisis van 2008 komt het steeds vaker voor dat erfenissen niet meer zonder meer worden geaccepteerd. De angst dat de nalatenschap negatief is en dus de erfgenamen voor de schulden opdraaien, is groot.

Om die reden worden de nalatenschappen vaak beneficiair aanvaardt. Door op deze wijze de nalatenschap te aanvaarden, worden erfgenamen in principe niet aansprakelijk voor schulden uit een erfenis. Alleen als de nalatenschap positief is, zal de erfgenaam deze aanvaarden. Vaak is het echter de vraag of nog beneficiair aanvaard kan worden omdat er door de erfgenamen al handelingen zijn verricht, waardoor er sprake is van een zogenaamde zuivere aanvaarding met alle plussen én minnen! Blijkt dan later het vermogen negatief te zijn, dan moet de erfgenaam bij een zuivere aanvaarding zijn privé vermogen gebruiken om de schulden van de nalatenschap te betalen.

Teneinde de erfgenaam meer bescherming te bieden tegen mogelijke schulden van de erflater ligt er een wetsvoorstel dat het volgende inhoudt.

Als een erfgenaam ná een zuivere aanvaarding van de nalatenschap bekend wordt met een schuld van de nalatenschap die hij niet kende en ook niet behoorde te kennen, dan kan deze erfgenaam binnen drie maanden na die ontdekking de kantonrechter verzoeken om geheel dan wel gedeeltelijk te worden ontheven uit zijn verplichting om deze schuld uit zijn eigen vermogen te voldoen voor zover deze niet uit de nalatenschap kan worden voldaan. Het is dan aan de kantonrechter om vast te stellen of en in hoeverre redelijkerwijze van de erfgenaam kan worden gevergd dat hij deze schuld uit zijn overige (eigen) vermogen voldoet.

Als dit voorstel wet wordt, neemt dat niet weg dat de erfgenaam nog steeds op zijn tellen moet passen en vóór de zuivere aanvaarding moet onderzoeken of er kenbare schulden zijn in de erfenis om zo te voorkomen dat eigen vermogen wordt aangesproken door schuldeisers op de nalatenschap. Beneficiair aanvaarden zal dus ook in de toekomst naar verwachting nog vaak worden toegepast.

Bron: Actuele artikelen

Premiekorting bij indienstneming van jongere uitkeringsgerechtigden

Vanaf 1 juli 2014 kunnen werkgevers onder bepaalde voorwaarden een premiekorting toepassen bij het in dienst nemen van een... Lees meer >

Vanaf 1 juli 2014 kunnen werkgevers onder bepaalde voorwaarden een premiekorting toepassen bij het in dienst nemen van een uitkeringsgerechtigde in de leeftijd van 18 tot 27 jaar.

Het kabinet vindt het van belang dat jongeren niet langdurig in een uitkering blijven. Het streeft er naar hen perspectief te geven op een plek op de arbeidsmarkt. Het kabinet vindt daarom op dit moment een impuls nodig om werkgevers te stimuleren deze jongeren een kans te geven. Het gaat om een tijdelijke regeling, die gericht is op nieuwe banen in de periode van 1 januari 2014 tot 1 januari 2016. Een werkgever kan voor elke aanname en zolang de betreffende jongere uit de doelgroep in dienst is maximaal twee jaar een premiekorting van € 3.500 op jaarbasis op zijn premies werknemersverzekeringen toepassen.

In verband met toezicht en handhaving door de Belastingdienst is een werkgever verplicht om een doelgroepverklaring van UWV of gemeente te bewaren. Uit de doelgroepverklaring moet blijken dat de werknemer voorafgaand aan de dienstbetrekking uitkeringsgerechtigde was. Tevens dient er een schriftelijke arbeidsovereenkomst te zijn waaruit blijkt dat er sprake is van een dienstbetrekking met een overeengekomen duur van minimaal zes maanden en een arbeidsomvang van ten minste 32 uren per week.

Met deze maatregel wordt uitwerking gegeven aan de afspraak uit de Begrotingsafspraken 2014 om de arbeidsmarkt voor jongeren te versterken met een premiekorting, waarvoor in totaal tijdelijk € 300 miljoen is uitgetrokken. Via het Belastingplan 2014 is de premiekorting geregeld per 1 juli 2014. De regeling kon niet eerder in werking treden, vanwege aanpassingen in de loonaangifte. Om te voorkomen dat werkgevers zouden wachten met het aannemen van jongeren uit de doelgroep, kunnen ook indiensttredingen vanaf 1 januari 2014 in aanmerking komen voor de premiekorting vanaf 1 juli.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Vakantiewerk in onderneming ouders

Veel ondernemers laten hun kinderen vakantiewerk doen. Over de beloning moet loonbelasting worden ingehouden. De beloning is aftrekbaar van... Lees meer >

Veel ondernemers laten hun kinderen vakantiewerk doen. Over de beloning moet loonbelasting worden ingehouden. De beloning is aftrekbaar van de winst als deze zakelijk is. Het kind moet van de fiscus wel werken voor zijn geld. Bij een onzakelijk hoge beloning is de onzakelijke component een privé-onttrekking. In de bv-sfeer geniet de aandeelhouder in een dergelijk geval een verkapt dividend.

De fiscus gaat ervan uit dat het normaal is dat kinderen kleine klusjes voor hun ouders doen. De gebruikelijke hand-en-spandiensten rechtvaardigen daarom geen beloning. Stel dat uw dochter van 15 de bestelbus wast. Zij is daar ongeveer 1 uur druk mee en u betaalt haar daarvoor 10 euro. U trekt deze kostenpost af. Het minimumuurloon voor een 15-jarige bedraagt 2,56 euro. De tien euro is dus royaal beloond. De fiscus zal hier geen halszaak van maken. Voor uw dochter is deze beloning feitelijk onbelast. Voor de loonbelasting is hierbij geen sprake van een dienstbetrekking, zodat loonbelastingformaliteiten achterwege kunnen blijven. Nu wil uw dochter een duur telefoonabonnement. Ter bekostiging daarvan komt u met haar overeen dat zij één keer per week folders gaat rondbrengen, wat haar ongeveer 4 uur kost. Als beloning betaalt u haar telefoonabonnement. Het is verstandig deze kosten als loonkosten te boeken in de administratie en dus als aftrekpost op te voeren.

Stel dat u uw kinderen in de vakantieperiode gedurende enkele weken fulltime inzet voor de zaak. Tot een beloning van 6.000 euro per jaar hoeft het kind uiteindelijk geen belasting te betalen. De eventueel ingehouden loonbelasting kan het via de aangifte inkomstenbelasting terugvragen. Er bestaat een speciale regeling voor meewerkende kinderen. Hierbij hoeft maar één keer per jaar aangifte te worden gedaan. Om toepassing van deze regeling moet worden verzocht via een formulier van de Belastingdienst. Als het kind hetzelfde werk doet als andere werknemers, moet op de gewone manier worden verloond. Bij een beloning tot circa 500 euro per maand is er dankzij de heffingskortingen geen loonbelasting verschuldigd.

Het is goed om te weten dat eigen verdiensten van een kind niet snel tot een korting op de kinderbijslag leiden. Alleen bij zeer hoge verdiensten kan een korting op de kinderbijslag plaatsvinden. Voor thuiswonende kinderen tot 16 jaar zijn de eigen inkomsten van het kind sowieso niet van belang voor de kinderbijslag. Thuiswonende kinderen van 16 of 17 jaar mogen per kwartaal netto 1.266 euro verdienen en tijdens de zomervakantie nog eens 1.300 euro extra.

Bron: Actuele artikelen

Vanaf 2015 is de werkkostenregeling verplicht

Vanaf 2015 is de werkkostenregeling verplicht. Voor die tijd zal een aantal wijzigingen worden doorgevoerd. Welke? Dat heeft de... Lees meer >
Op 4 juli 2014 heeft de staatssecretaris eindelijk meer duidelijkheid gegeven rondom de werkkostenregeling. Deze zal definitief op 1 januari 2015 starten en is op enkele punten aangepast. Zo is het percentage van de vrije ruimte gedaald van 1.5% naar 1.2%, maar hoewel dit een verkleining van het budget lijkt, is dit in feite niet zo. Lees hier meer over de WKR 2015.
Met behulp van deze pagina kunt u bekijken wat er voor benodigd is om de werkkostenregeling 2015 bij uw organisatie toe te passen.Gezien de verplichte start van de WKR in 2015 is het niet onverstandig u alvast voor te bereiden op deze dag
Overgangsregeling werkkostenregeling, maar op 1 januari a.s. verplicht!
Tot en met 2014 geldt een overgangsregeling. In die periode heeft u jaarlijks de keuze om te vergoeden en verstrekken op basis van de huidige wettelijke regels of op basis van de nieuwe werkkostenregeling. In 2015 zal vervolgens alleen nog de werkkostenregeling gaan gelden. Oorspronkelijk zou dat 1 januari 2014 zijn, maar er is besloten deze overgangsperiode met een jaar te verlengen. De staatssecretaris van Financiën wil nog een aantal verbeteringen aanbrengen:
·         Voor gereedschappen, computers en mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur gaat het noodzakelijkheidscriterium gelden. Dat betekent overigens niet dat ze altijd belastingvrij zijn. De werknemer moet de apparatuur en dergelijke wel nodig hebben en gebruiken voor zijn werk;
·         De oude belastingvrije regeling voor korting op producten uit het eigen bedrijf wordt weer ingevoerd onder de WKR;
·         Een aantal werkplek gerelateerde zaken die nu alleen belastingvrij zijn als ze ter beschikking worden gesteld, worden ook (weer) belastingvrij als ze worden vergoed of verstrekt. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan werkkleding en arbogerelateerde zaken;
·         De vrije / forfaitaire ruimte wordt verlaagd van 1,5% naar 1,2%;
·         Met ingang van 2015 hoeft er pas na het kalenderjaar een afrekening plaats te vinden bij overschrijding van de vrije ruimte;
·         Er komt een regeling voor de toepassing van de WKR binnen concernverband.
De veranderingen hebben natuurlijk ook gevolgen voor werkgevers die al zijn overgestapt. Die zullen mogelijk nieuwe keuzes moeten maken.
Start met de voorbereidingen!
Om tijdig de meest gunstige keuze te kunnen maken, adviseren we werkgevers nu echt te starten met de voorbereidingen. De tijd kan nu al wel eens tekort zijn.
In eerste instantie bent u wellicht geneigd te kiezen voor het toepassen van de huidige wettelijke regels. Het kan echter zijn dat de nieuwe werkkostenregeling in uw situatie voor u en uw werknemers financieel voordeliger uitpakt. Bovendien biedt de werkkostenregeling nieuwe mogelijkheden wat betreft cafetaria belonen waarbij (een gedeelte van) het personeel belast loon of vakantiedagen kan omzetten in onbelaste vergoedingen. Ook op het gebied van werknemersparticipaties is straks meer onbelast of goedkoper belast mogelijk.

Verbeteringen in werkkostenregeling

De afgelopen jaren bestonden er twee regelingen voor werkkosten naast elkaar. Nu komt er één verbeterde regeling. In de... Lees meer >

Na een uitgebreide internetconsultatie wordt de werkkostenregeling (WKR) aanzienlijk vereenvoudigd. In de brief die staatssecretaris Wiebes van Financiën begin juli naar de Tweede Kamer heeft gestuurd staan diverse maatregelen die de administratieve lasten voor werkgevers terugdringen en de uitvoerbaarheid voor de Belastingdienst verbeteren.

De afgelopen jaren bestonden er twee regelingen voor werkkosten naast elkaar. Nu komt er één verbeterde regeling. In de nieuwe werkkostenregeling wordt het onderscheid in fiscale behandeling tussen computers, smartphones en tablets weggenomen. Voor de zakelijke iPad zal bovendien niet langer de ‘zakelijke gebruikseis’ gelden. Indien een werknemer een iPad nodig heeft om zijn werk te doen, kan de werkgever deze verstrekken zonder fiscaal rekening te hoeven houden met het privévoordeel van de werknemer. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de wens van veel werkgevers. Ook hoeft een werkgever nog maar één keer per jaar vast te stellen wat zijn verschuldigde belasting in het kader van de WKR is. Voorheen moest dit per aangiftetijdvak bekeken worden. Een derde in het oog springende vereenvoudiging betreft het keuzeregime. Om de verbeterde aspecten budgetneutraal te kunnen dekken, zal de vrije ruimte worden verlaagd van 1,5% naar 1,2% van de totale loonsom van een bedrijf.

De maatregelen worden meegenomen in het Belastingplan 2015 dat op Prinsjesdag aangeboden zal worden aan de Tweede Kamer. De wijzigingen kunnen vervolgens per 1 januari 2015 in gaan.

De basis van de werkkostenregeling, die begin 2011 werd geïntroduceerd, blijft ongewijzigd. Met de werkkostenregeling kunnen werkgevers hun personeelsleden tot een vooraf vastgesteld percentage van de totale loonsom onbelast van vergoedingen en verstrekkingen laten profiteren. Het gaat dan bijvoorbeeld om kerstpakketten, etentjes, een fiets en personeelsfeesten. Binnen de werkkostenregeling is het niet nodig om de verstrekkingen per werknemer bij te houden, maar kan dat bedrijfsbreed.

Bron: Ministerie van Financiën

Volgend jaar geen contante loonbetaling meer

Als de Wet aanpak schijnconstructies door de Eerste en Tweede Kamer komt, is het vanaf volgend jaar verboden om... Lees meer >

Als de Wet aanpak schijnconstructies door de Eerste en Tweede Kamer komt, is het vanaf volgend jaar verboden om het volledige loon contant uit te betalen. Per 1 januari 2015 moet u namelijk per werknemer het wettelijk minimumloon giraal uitbetalen.

In het bericht ‘Nieuwe wet voor aanpak schijnconstructies’ kunt u lezen dat minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vorig jaar plannen beraamde voor het tegengaan van fraude. De minister heeft nu een tweede voortgangsrapportage aanpak schijnconstructies (pdf) naar de Tweede Kamer gestuurd waarin hij een aantal maatregelen uit zijn nieuwe Wet aanpak schijnconstructies (WAS) beschrijft. Eén van deze maatregelen is dat werkgevers per 1 januari 2015 het salaris van hun werknemers niet langer volledig contant mogen uitbetalen. Door verplicht te stellen dat minimaal het wettelijk minimumloon giraal wordt betaald, is altijd via het bankafschrift te bewijzen dat de werknemer in ieder geval het voor hem geldende minimumloon heeft ontvangen. Als een werknemer meer verdient dan het minimumloon, mag u het restant wel contant uitbetalen.

Ziektekostenpremies en huisvestingskosten niet langer bij minimumloon

Daarnaast is het niet langer toegestaan om kosten voor huisvesting of ziektekostenpremies met het minimumloon te verrekenen. In de praktijk stond de Inspectie SZW toe dat werkgevers maximaal 20% van het minimumloon voor huisvestingskosten en 10% van het minimumloon voor ziektekostenpremies verrekenden. Sommige werkgevers verrekenden echter de maximumpercentages terwijl de daadwerkelijk gemaakte kosten lager waren.

Wetsvoorstel aanpak schijnconstructies naar de Raad van State

Ook stelt de WAS aanvullende eisen aan de loonstrook – u moet onkostenvergoedingen straks bijvoorbeeld verplicht op de loonstrook specificeren – en regelt dat de loonstrook op verzoek aan de Inspectie moet worden verstrekt. Het wetsvoorstel voor de WAS is inmiddels naar de Raad van State gestuurd voor advies. Daarna moeten de Tweede en Eerste Kamer zich er nog over buigen. Met deze wet wil de overheid eerlijke concurrentie tussen organisaties en een eerlijke beloning voor werknemers bevorderen.

Indien de bankrekeningnummers van uw medewerkers nog niet bekend  zijn bij ons, dan ontvangen wij deze alsnog van u zodat dit vermeldt kan worden op de loonstroken. Zodat u in 2015 niet voor verrassingen komt te staan.

Nieuwe arbeidscontracten vanaf 2015. Let op!

Teken u na 1 januari 2015 een nieuw contract met uw nieuwe werknemer? Lees dan even verder, want door... Lees meer >

Teken u na 1 januari 2015 een nieuw contract met uw nieuwe werknemer? Lees dan even verder, want door de wet Werk en Zekerheid verandert er de komende jaren nogal wat. Zo kan de werkgever straks bij een kort contract geen proeftijd of concurrentiebeding meer opnemen.

Hieronder staan de belangrijkste onderdelen uit de nieuwe Wet Werk & Zekerheid. Een paar maatregelen zou oorspronkelijk al per 1 juli 2014 ingaan. Minister Asscher heeft de ingangsdatum onlangs opgeschoven naar 1 januari 2015, omdat werkgevers tijd nodig hebben om hun standaardcontracten aan te passen.

Geen proeftijd

In een contract van 6 maanden of korter mag je werkgever geen proeftijd meer opnemen. Deze maatregel zou per 1 juli 2014 ingaan, maar dat wordt nu 1 januari 2015.

Geen concurrentiebeding

Ook per 1 januari 2015 mag in een tijdelijk contract geen concurrentiebeding meer worden opgenomen. Alleen als de werkgever een zogenaamd ‘zwaarwegend bedrijfsbelang’ heeft. Wees hier dus alert op!

Aanzegtermijn bij tijdelijk contract

Per 1 januari 2015 moet de werkgever de werknemer een maand van tevoren informeren als hij de arbeidsovereenkomst niet verlengt. De “aanzegtermijn” is dus een maand. Nu mag de werkgever de werknemer officieel nog informeren op de dag voordat het contract eindigt. De werkgever moet de werknemer overigens ook informeren als hij het contract wél verlengt. Doet hij dit niet, dan staat daar een boete op. Let op: dit geldt niet voor contracten korter dan 6 maanden.

Periode met tijdelijk contract wordt korter

Vanaf 1 juli 2015 de werkgever de werknemer nog maar maximaal 3 tijdelijke contracten krijgen in een periode van twee jaar. Dit was eerst drie jaar. De werkgever moet de werknemer dus sneller een vast contract aanbieden als de werknemer in dienst wil houden. Om deze periode te doorbreken, moet de werknemer minstens 6 maanden uit dienst bij het bedrijf. Voorheen was dat 3 maanden. Dit is bedoeld om ‘draaideurconstructies’ te voorkomen. Ook het gebruik van nulurencontracten wordt met dat doel beperkt en in de zorgsector zelfs verboden.

Cao’s met afspraken die afwijken van de wet

Voor werknemers en werkgevers die onder een afwijkende cao vallen, blijven de afspraken gelden totdat de cao is verlopen. Ook als die afwijken van de wet. Uiterlijke datum is 1 januari 2016, daarna moeten ze worden aangepast. Dit geldt bijvoorbeeld voor de uitzend-cao’s.

Overgangsperiode

Word de arbeidsovereenkomst vóór 1 juli 2015 verlengd, dan is het huidige recht van toepassing (en maximaal 3 jaar). Word de arbeidsovereenkomst ná 1 juli 2015 verlengd dan geldt het nieuwe recht (maximaal 3 tijdelijke contracten en maximaal 2 jaar). Voorbeeld: Als je derde contract op 30 juni  2015 is aangegaan, en de totale lengte van je contracten komt daarmee op 32 maanden, dan is ook je derde contract er één voor onbepaalde tijd. Immers, het oude recht is nog van toepassing op je laatste contract. Als je contract op 1 juli 2015 wordt verlengd en de totale lengte van de contracten komt daarmee op 32 maanden, dan is het laatste contract er één voor onbepaalde tijd. De totale periode van de contracten is immers langer dan 2 jaar.

Ontslag

Vanaf 1 juli 2015 verloopt een ontslag om bedrijfseconomische redenen of langdurige arbeidsongeschiktheid altijd via het UWV. Ontslag om andere redenen gaat altijd via de kantonrechter.

Transitievergoeding

Vanaf 1 juli 2015 krijgt elke werknemer bij ontslag na ten minste twee jaar dienstverband een “transitievergoeding”. De vergoeding wordt maximaal € 75.000, en voor mensen die per jaar meer dan € 75.000 verdienen maximaal een jaarsalaris. Transitie betekent “overgang” en dit bedrag is bedoeld om makkelijker naar een andere baan te kunnen overstappen. Het mag dus bijvoorbeeld gebruikt worden voor scholing. Kleine bedrijven mogen tot 2020 een lagere ontslagvergoeding betalen als zij personeel gedwongen ontslaan vanwege een slechte financiële situatie.

WW-periode korter

De periode van een WW-uitkering wordt vanaf 1 januari 2016 tot 2019 stapsgewijs verkort van 38 naar 24 maanden. In cao’s kunnen werkgevers en vakbonden afspraken maken over aanvulling na die 24 maanden. De bedoeling is dat mensen ook zo goed en snel mogelijk naar ander werk worden begeleid. Na een half jaar WW moeten werkzoekenden alle werk aanvaarden. Als het salaris lager is dan de WW-uitkering, wordt dit aangevuld.

Sociaal akkoord

De maatregelen vloeien voor een deel voort uit het Sociaal Akkoord tussen overheid, vakbonden en werkgevers van april 2013. Werkgevers hebben toen ook beloofd de doorgeschoten flexibilisering tegen te gaan. Constructies om werknemers zo lang mogelijk geen vast contract aan te bieden zijn dus uit den boze. Daar gaan de vakbonden ook streng op letten.

Lees meer: Rijsoverheid en antwoord voor bedrijven